Posts tonen met het label Werkwoordelijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Werkwoordelijk. Alle posts tonen

donderdag 27 september 2012

De taalprof treft geen blaam



Gisteren was de taalprof weer eens actief op Twitter (volg hem!). Hij reageerde op een tweet van Onze Taal, die luidde: Lastig: 'Treft traditionele media blaam?' is een vreemde woordvolgorde. 'Blaam treffen' leent zich slecht voor vraagzin. Hierop reageerde de taalprof met: Met een voornaamwoord als voorwerp klinkt het een stuk beter: Treft jou blaam? Treft mij blaam? Treft hen blaam?

@onzetaal nuanceerde de oorspronkelijke bewering meteen met de opmerking dat het in elk geval met een "nominatief lijdend voorwerp" gek was (bedoeld is: een lijdend voorwerp met een zelfstandig naamwoord als kern), en verschillende twitteraars (onder andere @taaljournalist) merkten op dat het misschien lag aan het feit dat blaam treffen ouderwets of weinig frequent is.

Allemaal niet zo heel bijzonder. Een gewone dag in het leven van een taalprof. Tot de volgende vraag hem als een vuistslag in het gezicht trof: blaam treffen? Wat is dat eigenlijk voor een woordgroep?

maandag 28 mei 2012

Verborgen grammaticales in raptekst Gers Pardoel


Populaire liedteksten worden in intellectuele kringen nogal eens bekritiseerd om hun oppervlakkigheid. Liefdesverdriet, de lente, lustgevoelens of landelijke voetbalelftallen, het zijn niet de meest diepgravende onderwerpen die erin aan de orde worden gesteld. Weliswaar gaat het in rapteksten wel eens om maatschappelijke onvrede of twijfel aan de zin van het bestaan, ook daar buitelen de uitbundig getatoeëerde, met goud omhangen uitvoerende artiesten en hun schaars geklede, kortstondige levenspartners tijdens niet al te filosofische gedachtewisselingen over elkaar heen.
En dan is daar ineens de Nederlandse rapper Gers Pardoel, die eerder de vaderlandse onderwijswereld in slaap suste met teksten als Ik neem je mee en Bagagedrager, maar die nu ineens op de proppen komt met een heuse grammaticales in de vorm van een raptekst.

donderdag 14 oktober 2010

Taalprof bakt ze weer bruin



Als aan de nachtelijke hemel van Twitter City de gele lichtbundel van de Grammaticale Radeloosheid oplicht, dan duikt de Taalprof zijn Taalprofgrot in, rukt hij de Taalprofzonnebril uit het foedraal, en snelt hij door de internetether naar de plek des taalkundigen onheils.

Vannacht bereikte hem een noodkreet van een twitteraarster die vertwijfeld uitriep: 'Van redekundig ontleden bak ik niks'. Wat is nu 'niks'? Lijdend voorwerp? Bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid? Een dergelijke wanhoop kan geen taalkundig hart onberoerd laten!

In de snelle Twitterwereld kun je natuurlijk alleen een snel honderdveertigtekenig noodverband aanleggen, in de vorm van drie korte antwoorden, maar terug in de Taalprofgrot is er gelegenheid tot nadere overpeinzing.

zondag 31 mei 2009

Sluikreclame voor werkwoordelijk gezegde




Er lijkt zich tegenwoordig maatschappelijk een overdreven aandacht voor het werkwoordelijk gezegde af te tekenen. Het naamwoordelijk gezegde komt er een beetje bekaaid af. In de eindtermen voor het basisonderwijs wordt wel het werkwoordelijk gezegde genoemd, maar niet het naamwoordelijk gezegde. En dan worden wij ook nog eens om de haverklap in allerlei reclames aangespoord om dingen gewoon te dóén. Als dat geen teken van de tijd is.

dinsdag 30 december 2008

Kinderpredicatie



In mijn Ultrabeknopte Syntaxis had ik het over de drie (of vier) soorten inhoudswoorden: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden (en eventueel voorzetsels). Met die inhoudswoorden kun je woordgroepen maken. Die woordgroepen, zo voegde ik eraan toe, kun je in een "betekenisvol verband" plaatsen. Dat heet dan "predicatie".


Valt daar nog iets aan toe te voegen? Nou, eigenlijk niet. Maar ik kan het wel nog eens illustreren.

zondag 9 december 2007

Verhinderd want bedekt met bladeren




Twee dezelfde vragen binnen een paar dagen, dat kan geen toeval zijn! Eentje in de vragenrubriek van deze site, eentje op de mailinglijst voor docenten Nederlands. Nou ja, dezelfde vragen, ze gingen over andere zinnetjes, maar de kwestie is dezelfde.

De ene vraag luidde: wat is de ontleding van de zin De man is verhinderd? En de andere: wat is de ontleding van De straat was bedekt met bladeren? Allebei de vragen kunnen op dezelfde manier worden beantwoord. De centrale vraag is: wat is de tijd waarin de zin staat?

donderdag 21 juni 2007

Wat is een werkwoordelijke uitdrukking?



"De werkwoordelijke uitdrukking ruimt lekker op bij het ontleden," staat er in een handleiding voor leerlingen aan een middelbare school. Ja, zo kun je er ook tegenaan kijken! Maar het ontleden van zinnen is niet bedoeld om "lekker op te ruimen," het gaat erom dat je beschrijft hoe zinnen in elkaar zitten.

Er zijn ook mensen die vinden dat je elke uitdrukking eigenlijk zou moeten dooranalyseren tot de afzonderlijke zinsdelen. Ze wijzen op de Algemene Nederlandse Spraakkunst, waarin gesuggereerd wordt dat dat altijd mogelijk is als je de delen van de uitdrukking letterlijk neemt. Maar waarom zou je dan nog van een werkwoordelijke uitdrukking willen spreken?

Wat ís een werkwoordelijke uitdrukking dan eigenlijk? Wanneer is er reden om iets als een werkwoordelijke uitdrukking te zien?

De meeste definities houden zich een beetje op de vlakte. De ANS zegt het zo: "Werkwoordelijke uitdrukkingen zijn combinaties van werkwoorden met andere taalelementen die een gemeenschappelijke (meestal figuurlijke) betekenis hebben," en op de taaladviessite van Onze Taal staat: "Een werkwoordelijke uitdrukking is een vaste combinatie van een werkwoord en een of meer andere woorden die samen een betekeniseenheid vormen."

Figuurlijk, gemeenschappelijke betekenis, vaste combinatie, betekeniseenheid, dat zijn zo’n beetje de kernwoorden van de meeste definities. Maar hoe bepaal je bijvoorbeeld een "gemeenschappelijke betekenis"? Een combinatie van een lijdend voorwerp met een werkwoord (een boek lezen) heeft toch ook een "gemeenschappelijke betekenis"? Wat is dan het belangrijkste? Wat maakt een werkwoordelijke uitdrukking tot een werkwoordelijke uitdrukking? Volgens de taalprof is het dit:

Als de betekenis van de verbinding tussen werkwoord en andere zinsdelen afwijkt van de normale betekenis, dan is er sprake van een werkwoordelijke uitdrukking. Nou klinkt dat nog steeds ingewikkeld, maar misschien maakt een voorbeeld het duidelijk. Neem de uitdrukking de pijp aan Maarten geven. Die betekent "het opgeven". Waarom is dat nu een werkwoordelijke uitdrukking? Omdat de betekenis van de pijp aan Maarten geven niet te omschrijven is met iets aan iemand geven. Als je de pijp aan Maarten geeft, dat geef je niet iets aan iemand. Het zou dus gek zijn als je in de ontleding de pijp "gewoon" een lijdend voorwerp zou noemen en aan Maarten een meewerkend voorwerp. Dáárom, en alleen daarom, hebben grammatici ooit de term "werkwoordelijke uitdrukking" bedacht.

Die "niet normale" betekenis van die verbinding zou je "figuurlijk" kunnen noemen, of "idiomatisch". Vandaar dat de betekenis van de delen van een werkwoordelijke uitdrukking ook vaak figuurlijk is. Maar een figuurlijke betekenis van een van de delen is niet voldoende om iets als een werkwoordelijke uitdrukking te benoemen! Met een voorbeeld: in de uitdrukking een dikke pil lezen (voor "een dik boek lezen") is er géén sprake van een werkwoordelijke uitdrukking, want een dikke pil lezen is nog wel degelijk "iets lezen". Het is alleen het lijdend voorwerp een dikke pil dat een figuurlijke betekenis heeft. En als je over koetjes en kalfjes praat, dan praat je misschien wel over onbelangrijke dingen, maar je praat nog steeds over iets. Het is alleen de woordgroep koetjes en kalfjes die figuurlijk is, niet het praten. En je kunt wel zeggen dat het een vaste combinatie is, dat je over koetjes en kalfjes bijna altijd gebruikt met het werkwoord praten, maar toch is de verbinding tussen die twee zinsdelen niet idiomatisch, en dus geen werkwoordelijke uitdrukking.

Deze definitie houdt ook in dat de zinsdelen die je kunt invullen met iets of iemand niet bij de werkwoordelijke uitdrukking horen. In de draak steken met iemand is met iemand gewoon voorzetselvoorwerp, in iemand een poets bakken is iemand gewoon meewerkend voorwerp.
Ik heb eens op het internet gezocht naar voorbeelden die worden gegeven van de werkwoordelijke uitdrukking, en dan met name in uitleg over zinsontleding en grammatica. Daar zijn nogal wat gevallen bij waar je kritiek op kunt hebben. Ik zal beneden de hele lijstjes geven die ik gevonden heb, maar eerst bespreek ik twee grotere groepen verkeerde voorbeelden.

De grootste groep verkeerde voorbeelden betreft uitdrukkingen met een koppelwerkwoord of vervangend koppelwerkwoord. Het gaat dan in alle gevallen om een figuurlijk zinsdeel dat een toestand aangeeft (zoals in de war, op de hoogte, in de bonen), waar je in principe elk koppelwerkwoord bij zou kunnen zetten. Dat betekent: de verbinding tussen zinsdeel en werkwoord is niet idiomatisch. Als je in de bonen bent, dan ben je iets.

Een andere interessante groep vind ik op de website van taaladvies.net, de taaladviseurs van de Taalunie. Dat is natuurlijk een onverdachte bron, maar ik weet toch niet goed of ik het er wel mee eens ben. Het gaat om het advies over de benoeming van het in de uitdrukking het met iets eens zijn. De taaladviseurs spreken hier van een werkwoordelijke uitdrukking, waarin het een onderdeel is van het naamwoordelijk gezegde het eens zijn, met het eens als naamwoordelijk deel van het gezegde.  Ik zou zeggen: dan is het ook geen werkwoordelijke uitdrukking meer, maar een naamwoordelijk gezegde, waar je in principe ook andere koppelwerkwoorden kunt invullen. De taaladviseurs noemen nog een hele groep van "werkwoordelijke uitdrukkingen en een aantal werkwoorden" met een betekenisloos het, maar ze zeggen er niet bij welke van hun voorbeelden zij nu een werkwoordelijke uitdrukking vinden. Nou ja, wie het interessant vindt moet het hier zelf maar eens nalezen.

Dit zijn de voorbeelden die ik in een half uurtje verzameld heb van het internet. De lijst is natuurlijk geen volledige lijst van alle werkwoordelijke uitdrukkingen in het Nederlands. Dat zou al gauw een heel woordenboek worden. Dit zijn alleen de voorbeelden die ik het eerste tegenkwam bij uitleg of oefeningen over de werkwoordelijke uitdrukking. Let op: de delen tussen haakjes horen niet bij de werkwoordelijke uitdrukking. Als ergens het bezittelijk voornaamwoord zijn staat, kunnen daar vaak ook andere bezittelijke voornaamwoorden worden gebruikt (zoals haar), en soms ook het lidwoord de. In sommige uitdrukkingen is wat variatie mogelijk, vaak versterking. Dit is niet aangegeven in het lijstje.
  • een bok schieten
  • bot vangen
  • de benen nemen
  • een blauwtje lopen
  • de broek aanhebben
  • een broertje dood (aan iets/iemand) hebben
  • met de deur in huis vallen
  • uit zijn dak/bol gaan
  • de draak steken (met iemand)
  • een flater slaan
  • (iemand) een hart onder de riem steken
  • de geest geven
  • (iemand) met gelijke munt betalen
  • (met iets) aan de haal gaan
  • de hand in eigen boezem steken
  • de handdoek in de ring gooien
  • het hazepad kiezen
  • zich een hoedje schrikken
  • de hond in de pot vinden
  • het hoofd verliezen
  • door het ijs zakken
  • zich de kaas niet van het brood laten eten
  • (iemand) op de kast jagen
  • (iemand) de kastanjes uit het vuur laten halen
  • van een koude kermis thuiskomen
  • (iemand) de laan uit sturen
  • het land (aan iemand) hebben
  • (iemand) voor het lapje houden
  • het lid op de neus krijgen
  • de lijn trekken ("luieren")
  • één lijn trekken ("geen uitzonderingen maken")
  • (met iets) in zijn maag zitten
  • door de mand vallen
  • achter het net vissen
  • (iemand) (iets) aan zijn neus hangen
  • (iemand) bij de neus nemen
  • met de noorderzon vertrekken
  • een oogje in het zeil houden
  • (iemand) in het ootje nemen
  • (iemand) over het paard tillen
  • de pest in hebben
  • de pijp aan Maarten geven
  • de pik (op iemand) hebben
  • de plaat poetsen ("vertrekken")
  • de plank misslaan
  • (iemand) een poets bakken
  • (iemand) een riem onder het hart steken
  • (iemand) (iets) in de schoenen schuiven
  • uit zijn slof schieten
  • de spijker/nagel op zijn kop slaan
  • spitsroeden lopen
  • (iemand) aan de tand voelen
  • (iemand) om de tuin leiden
  • de eerste/tweede viool spelen
  • in zijn vuistje lachen
  • in de wacht slepen
  • (iets) in de wind slaan
De volgende voorbeelden zijn volgens mij allemaal naamwoordelijke gezegdes of constructies met een bepaling van gesteldheid. Ik denk dat het vet en schuin gedrukte zinsdeel zonder het werkwoord steeds zelfstandig gebruikt kan worden in dezelfde "figuurlijke" betekenis als in deze verbinding:
  • in de bonen zijn
  • het eens zijn (met iets/iemand) (ik zou hier eens als naamwoordelijk deel benoemen en het als loos oorzakelijk voorwerp).
  • een figuur slaan (anders dan bij een flater slaan bén je hier op de een of andere manier een figuur)
  • de kluts kwijt raken (je kunt ook de kluts kwijt zijn of lijken, kwijt kun je opvatten als naamwoordelijk deel, en de kluts is dan een oorzakelijk voorwerp met figuurlijke betekenis)
  • in slaap vallen (je bent in slaap, vallen is hier vervangend koppelwerkwoord voor worden of raken)
  • (iemand) op de hoogte brengen (je bent op de hoogte, op de hoogte is hier bepaling van gesteldheid)
Bij de volgende voorbeelden twijfel ik, maar ik ben geneigd ze "normaal" te benoemen:
  • (iets) op het spel zetten (iets staat op het spel, op het spel is bepaling van gesteldheid)
  • tot stand brengen (iets komt tot stand, tot stand is bepaling van gesteldheid)
  • voor joker staan (je kunt voor van alles staan, ik zou zeggen: staan is vervangend koppelwerkwoord)
  • een kleine/grote boodschap doen (je "doet" je behoefte, zou ik zeggen, en die behoefte wordt figuurlijk met een grote of kleine boodschap aangeduid)
  • (iemand) (iets) cadeau doen
  • ten strijde trekken
  • in verzet komen
  • in ontvangst nemen
  • in vlammen opgaan
  • een hekel hebben aan (je kunt van alles hebben: zin in iets, een hekel aan iets, de pest aan iets, misschien hoort het land hebben aan iets hier ook wel bij)
  • les geven (dit is volgens mij toch wel "iets geven", je kunt ook college geven, een lezing geven, je mening geven, een bepaalde indruk geven)
  • plaats nemen (is dit niet eerder een werkwoord dan een uitdrukking?)
  • zijn toevlucht nemen (tot iets) (ook hier allerlei mogelijkheden met nemen: de wijk nemen, de bocht nemen, een afslag nemen; ik denk dat alleen nemen een vage of desnoods figuurlijke betekenis heeft).

donderdag 11 januari 2007

The battle continues...



Nieuws van het docentenforum, over aan het koken zijn! De taalprof kan tegenwoordig niet meer op dat forum reageren zonder zijn geheime identiteit te onthullen, dus zet hij de discussie op zijn eigen weblog voort, in de hoop dat hij hier ook gelezen wordt.


Twee docenten die al eerder stevig aan het debat hebben deelgenomen, Henk Bakker en Aad Lohman, brengen nog eens een aantal argumenten in stelling tegen de naamwoordelijke ontleding van ik ben aardappelen aan het koken, en vóór de werkwoordelijke ontleding. Twee van hun eerdere argumenten heb ik al hier genoemd en besproken. Maar daarmee is de koek dus nog niet op.

donderdag 28 december 2006

Dolkstoot in de rug



Ik beloof dat ik nog eens een keer een mooie afgewogen samenvatting zal maken van die discussie over de ontleding van ik ben aan het koken. Ook al lijkt de discussie een beetje uitgewoed, ik vind nog steeds extra argumenten waar ik in ieder geval mijzelf kostelijk mee amuseer. En de volgende redenering vind ik zelfs de moeite waard voor een apart logje.


Zal ik eerst nog maar even vertellen waar het over gaat, voor degenen die het hart niet hebben om de hele discussie erop na te slaan?

dinsdag 12 december 2006

Aan het discussiëren met docenten



Op het lerarenforum [list-nederlands] woedde (woedt) een discussie over de ontleding van de zin Ik ben aan het koken. Het lijkt wel of de taalprof deze week als een olifant door allerlei porseleinkasten dendert, want hij slaagt er maar niet in om overeenstemming te bereiken.


Omdat de discussie op het forum sommige leden begint te irriteren, stel ik graag mijn web-log ter discussie beschikking om deze zaak uit de wereld te helpen. Graag begin ik daarom met een eerlijke (?) samenvatting.

maandag 24 april 2006

Wanneer was je voor het laatst verbaasd?



De Taalprof krijgt ook wel eens e-mail, naast de vragen op de weblog. Zo kreeg hij dit weekend maar liefst twee mails over dezelfde kwestie, op dezelfde school nota bene!


Wat was er aan de hand? Een leerling had bij de ontleding van de zin ik was erg verbaasd gezegd dat het naamwoordelijk gezegde was, en dat was fout gerekend. Gemor in de wandelgangen, discussie in de klaslokalen! Hoezo was dat fout? Was verbaasd dan geen bijvoeglijk naamwoord? Nee, zei de docent, verbaasd is een werkwoord, en dus is het een werkwoordelijk gezegde met was als hulpwerkwoord.


Andere docenten gingen zich ermee bemoeien, andere talen werden erbij gehaald. Zelfs de wiskundedocent deed een duit in het zakje. Onrust in de lerarenkamer!

Ten einde raad wendden de docent én de vader van de leerling zich tot de Taalprof. Wie heeft er gelijk? De Taalprof hakte de knoop door.

In de discussie op de bewuste school werd op verschillende manieren geargumenteerd (verbaasd is een werkwoord, in andere talen staat in deze zin een bijvoeglijk naamwoord), maar al die redeneringen leiden af van waar het echt om gaat, en wat ik al in de log Wat is een naamwoordelijk gezegde? heb genoemd: is er sprake van zijn of doen? Als je erg verbaasd bent, ben je dan iets, of heeft iemand (of iets) jou iets gedaan? Alle andere redeneringen of ezelsbruggetjes, of proefjes, zijn allemaal ondergeschikt aan die vraag. Is het zijn of doen? Zo simpel is het.

Op dit punt aangekomen denk ik dat iedereen zou zeggen: als je verbaasd bent, dan ben je iets, dus naamwoordelijk. Dit is dan ook de beste ontleding. De leerling heeft gelijk. Maar lees nog even door, want het is de moeite waard om te begrijpen wat hier aan de hand is.


De zin ik ben verbaasd is namelijk oorspronkelijk een lijdende vorm van iets (of iemand) heeft mij verbaasd, wat weer de voltooide tijd is van iets (of iemand) verbaast mij. Als je van jij verbaast mij erg een lijdende vorm maakt, krijg je ik word door jou erg verbaasd. Zet je dat in de voltooide tijd, dan krijg je ik ben door jou erg verbaasd (het werkwoord geworden wordt in het Nederlands dan weggelaten). Maak je daar weer voltooid verleden tijd van, dan wordt het ik was door jou erg verbaasd. Laat je daarin dan door jou weg, dan krijg je ik was erg verbaasd.


Hee, wat is dat nou? Nou hebben we een werkwoordelijk gezegde, in de lijdende vorm, met was als hulpwerkwoord van tijd! Had de docent dan toch gelijk?


Het voorbeeld laat zien dat de docent inderdaad geen onzin beweerde. Toch is deze laatste ontleding van de uiteindelijke zin wel onwaarschijnlijk. Hoe weet ik dat zo zeker? Dat zie je als je het tijdsverschil tussen de twee ontledingen bekijkt.


In de naamwoordelijke ontleding van ik was erg verbaasd is was een koppelwerkwoord. De zin staat in de gewone (de onvoltooid) verleden tijd. In de werkwoordelijke ontleding is er sprake van een lijdende vorm, daar de voltooide tijd van, en daar weer de verleden tijd van. Dat is dus de voltooid verleden tijd. Kun je dat zien, dat verschil?


Hoe ontdek je of een zin in de verleden tijd of in de voltooid verleden tijd staat?

Dat gaat ongeveer op dezelfde manier als ik beschreef in de log Tijden en werkwoorden. Zet er een tijdsbepaling als zaterdag bij. Een gewone verleden tijd (Ik speelde zaterdag een goede wedstrijd) kan dan alleen betekenen dat er iets gebeurde op een zaterdag in het verleden (zeer waarschijnlijk afgelopen zaterdag).


En hoe zit het met een voltooid verleden tijd? Kijk naar de zin Ik had zaterdag een goede wedstrijd gespeeld. Nu zijn er volgens mij twee betekenissen: de ene is dat je die goede wedstrijd afgelopen zaterdag al achter de rug had (hij is bijvoorbeeld op vrijdag al gespeeld), en de andere betekenis is, dat je afgelopen zaterdag helemaal geen goede wedstrijd gespeeld hebt, maar dat dat had kunnen gebeuren als er niet iets tussen gekomen was. Bijvoorbeeld, de wedstrijd werd vanwege de regen afgelast en je zegt: ik had zaterdag een goede wedstrijd gespeeld, als hij niet afgelast was (want ik was goed in vorm).


Welke betekenis heeft nu Ik was zaterdag erg verbaasd?. Kan dat betekenen dat je niet verbaasd was, maar dat dat had kunnen gebeuren als er niets tussen gekomen was? Lijkt me moeilijk. Kan het dan betekenen dat je verbazing zaterdag al achter de rug was? Misschien, als je je heel erg probeert voor te stellen dat iemand jou vrijdag al verbaasde en je wilt benadrukken dat dat zaterdag allang gebeurd was: Nee man, ik was záterdag allang erg verbaasd, dat gebeurde namelijk vrijdag al!.


Nee, de meest waarschijnlijke betekenis van ik was zaterdag erg verbaasd is dat jij op zaterdag verbaasd was, de gewone verleden tijd dus. Maar dan is er dus ook geen sprake van voltooide tijd, en dus is was geen hulpwerkwoord maar een koppelwerkwoord. En verbaasd is dan naamwoordelijk deel van het gezegde.


Wat voor woordsoort is verbaasd dan? Wel, dat ligt er maar aan. Veel taalkundigen vinden het het beste om voltooide deelwoorden die naamwoordelijk deel zijn te benoemen als een bijvoeglijk naamwoord. Dat is niet zo gek. Je ziet dat dit soort deelwoorden zich ook een beetje gaan gedragen als bijvoeglijke naamwoorden. Je kunt er een vergrotende trap van maken (verbaasder), of afleidingen als verbaasdheid (naast verbazing). Zo'n woord met -heid maak je gewoonlijk alleen met een bijvoeglijk naamwoord. Ook kun je zo'n voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruiken (een verbaasde wiskundeleraar). Alle reden dus om verbaasd in dit geval bijvoeglijk naamwoord te noemen.


Ik hoop dat met deze uitleg de stofwolken in de school zullen neerdalen en iedereen weer vol vertrouwen in het mooie vak grammatica de lessen kan voortzetten.

donderdag 30 maart 2006

Ben ik beschadigd?



Wat is dat nu? De taalprof betrapt op een taalfout? Ik schreef Als het beschadigt is het weg. Klopt dat wel? Moet het niet zijn: Als het beschadigd is, is het weg?

In deze reactie signaleert tom een "taalkoe" in mijn verhaal (wat een taalkoe is moet u op zijn site maar nalezen).


Ik schreef: Als het beschadigt (bijvoorbeeld bij een hersenbloeding) is het weg. In Toms taalgevoel was dit vreemd, omdat hij beschadigen alleen maar kon gebruiken in de constructie iemand beschadigt iets. Niet als Iets beschadigt. Hij zou dus hebben geschreven: Als het beschadigd is, is het weg.


In zo'n geval is het natuurlijk makkelijk om te wijzen op de naslagwerken, zoals Van Dales Groot Woordenboek, waar beschadigen als een "onovergankelijk werkwoord gewoon in voorkomt, weliswaar met de geheimzinnige toevoeging Vooral spreektaal, maar zoiets slaat elke discussie dood.


Ook kun je eenvoudigweg zeggen dat je dat zelf wel zo aanvoelt (wat ik als eerste reactie inderdaad deed), maar dan mis je ook weer de kans om iets aardigs te zeggen. Want wat is er aan de hand met dat beschadigen? Waarom komen beide varianten voor?


Het klassieke voorbeeld van dit type werkwoorden is veranderen. Iets kan veranderen, of iemand kan iets veranderen. Dat vindt iedereen acceptabel, in schrijftaal of spreektaal, formeel of informeel, dat maakt allemaal niet uit. Het kan allebei. Hoe komt dit?


Er zijn twee eigenschappen van het Nederlands die samenzweren om deze twee vormen te laten ontstaan. De eerste is dat het hulpwerkwoord van de lijdende vorm in de voltooide tijd achterwege blijft. Dat zit zo: als je zegt iemand verandert iets en je maakt daar een lijdende vorm van, dan gaat dat met het hulpwerkwoord worden: iets wordt veranderd. Het oorspronkelijke onderwerp (de veroorzaker van de verandering) blijft achterwege.


Nu kun je hier een voltooide tijd van maken, met het hulpwerkwoord zijn. Want worden kiest zijn als hulpwerkwoord van tijd (iets is geworden). Wat blijkt? Nu blijft ook het hulpwerkwoord worden achterwege: iets is veranderd. Niet iets is veranderd geworden, wat je zou verwachten maar wat nooit iemand zegt. De voltooide tijd van de lijdende vorm is dus iets is veranderd.


De tweede eigenschap die van belang is, is dat de voltooide tijd in het Nederlands met twee hulpwerkwoorden kan worden uitgedrukt. De meeste werkwoorden kiezen hebben: je hebt gegeten, gespeeld, gedanst, gewerkt, gelopen, geslapen, enzovoorts. Een paar werkwoorden kiezen zijn: je bent gearriveerd, voorbijgelopen, geslaagd, gegaan, gekomen, geschrokken.


Welke werkwoorden zijn dat, die zijn kiezen als hulpwerkwoord van de voltooide tijd? Daar bestaat enige discussie over, en ik zeg het een beetje slordig, maar het lijkt erop dat die werkwoorden allemaal een verandering van je plaats of toestand uitdrukken. Het zijn allemaal veranderingswerkwoorden.


Deze twee eigenschappen leiden ertoe dat je een vorm als ik ben veranderd op twee manieren kunt opvatten: als de voltooide tijd van de lijdende vorm, maar ook als de gewone voltooide tijd van een veranderingswerkwoord veranderen.


Nou ligt het werkwoord veranderen zelf wel heel erg voor de hand, maar hetzelfde geldt voor uitbreiden en ook voor beschadigen. Zeg je iets is uitgebreid en iets is beschadigd, dan heb je vanwege de betekenis van die twee werkwoorden (die ook een duidelijke verandering inhouden) de neiging om te concluderen dat er onovergankelijke werkwoorden uitbreiden en beschadigen aan ten grondslag liggen.

Maar is dat dan niet fout? Hm. Dat ligt er maar aan. Je past hetzelfde systeem toe dat geleid heeft tot de twee varianten van veranderen. En die vindt iedereen OK.