woensdag 12 juli 2006

Voornaamwoorden en bedgeheimen



"Ummm..."
"Wat is er?"
"Ja, ik weet niet hoe ik het moet zeggen..."
"Wat is er dan?"
"Eh, nou, ik snap er eigenlijk niets van."
"Waarvan?"
"Van die voornaamwoorden. Je hebt dan wel wat uitgelegd over persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, en fruitvliegjes en zo, maar ik zie daar eerlijk gezegd het nut niet van in."

"Maar jij vroeg daar toch om, om een uitleg over al die verschillende soorten voornaamwoorden? En ik ben nog niet eens halverwege!"
"Ja dat is wel zo, maar ik zie nou nog niet wat ik eraan heb, aan al die onderscheidingen."
"Wat wil je eraan hebben dan?"
"Ik bedoel, je vertelt dan wel van dat fruitvliegje, dat dat interessant is voor de wetenschap, maar wat schiet ík daar nou mee op? Ik ben toch geen taalkundige? In de biologielessen leren we toch ook niet alles over het fruitvliegje, waarom moeten we in de lessen zinsontleding dan wel alles van het voornaamwoord weten?"
"Ja, wacht even, je leert ook niet alles."
"Nou precies, ik zou denken dat we alleen leren wat nuttig is."
"Nuttig."
"Ja, iets wat praktisch nut heeft, in het gewone leven zal ik maar zeggen."
"Wat zou jij dan een praktisch nut vinden?"
"Eh, bijvoorbeeld dat ik er beter van ga praten, of schrijven."
"Beter schrijven."
"Ja, dat ik niet steeds van die stomme spelfouten maak waar ze me om uitlachen, of waardoor straks mijn sollicitaties gaan mislukken."
"Jaja, dus goed leren spellen heeft praktisch nut?"
"Dat zou ik wel zeggen, ja."
"Dan zou je eigenlijk wel het verschil tussen een persoonlijk en een bezittelijk voornaamwoord moeten kennen."
"O ja? Leg eens uit dan."
"Hoe schrijf jij jou?"
"Wat?"
"Het woordje jou, hoe spel je dat?"
"Nou gewoon, jee oo uu, jou."
"En jou in jouw moeder?"
"Ik snap het niet. Hetzelfde, toch? Ik hoor geen verschil."
"Je kunt het inderdaad niet horen. Maar het bezittelijk voornaamwoord jouw schrijf je met een w op het eind, en het persoonlijk voornaamwoord zonder. Net als uw en u, maar daar kun je het soms nog een beetje horen."
"O dat wist ik niet. Hoe moet ik dat weten?"
"Ik heb geen flauw idee. Misschien had je het ergens op kunnen pikken. Maar het is wel nuttig als je het verschil tussen persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord kent."
"Jaja"
"Zal ik nog eens wat nuttigs vertellen dan?"
"Ja graag!"
"Stel je ligt voor het eerst in bed met je geliefde…"
"Aha, nou wordt het interessant!"
"En die vraagt jou opeens Mag ik jou kussen? Tenminste, je denkt dat je jee oo uu hoort (dat wil je misschien graag horen), maar misschien was het toch jee oo uu wee. Dat maakt nogal verschil."
"Ja nou!"
"Op zo’n moment kun je natuurlijk niet vragen Schrijf het effe op, want dan is de hele magie van het moment weg."
"Ja dat is wel een beetje suffig."
"Dat bedoel ik! Daar ga je met het nut van je spelling. Maar goed, wat doe je? Je kunt natuurlijk wel gokken, op grond van andere "signalen", maar dat is riskant. Tegelijkertijd kan dit moment bepalend zijn voor jullie hele relatie. Stel dat jij nu met een schaapachtig gezicht je hoofdkussen aanreikt, dan kun je het verder wel vergeten. Maar ook als jij met gesloten ogen en getuite lippen gaat liggen wachten loop je het risico een figuur te slaan."
"Pijnlijk!"
"Eigenlijk is er maar één oplossing."
"En die is?"
"Dat jij én je geliefde allebei een totale beheersing hebben over de benoeming van het voornaamwoord."
"Hoe helpt me dat dan?"
"Dan vraag je gewoon Persoonlijk of bezittelijk? en wie weet is het antwoord dan Persoonlijk natuurlijk, gekkie! en dan komt alles nog goed."

dinsdag 11 juli 2006

De taalprof legt zijn methode uit



Je hebt net de nieuwe CD van Marco Borsato voor je verjaardag gekregen. Je vriendje komt op bezoek en zegt: "Hee, dat is mijn CD!". Wat betekent dat? Dat is nogal makkelijk: het betekent dat hij vindt dat die CD zijn eigendom is. Hij denkt misschien dat jij hem hebt geleend, of gestolen, in ieder geval, hij gebruikt het woordje mijn in zijn "bezittelijke" betekenis.

Dit is waarschijnlijk de reden dat het woordje mijn hier benoemd moet worden als een bezittelijk voornaamwoord. Maar nu krijg je ineens Marco Borsato zelf op bezoek. Die komt je kamer binnen, ziet die CD liggen, en zegt: "Hee, dat is mijn CD!" Wat denk je nu?

maandag 3 juli 2006

Mysterieuze personen


Vraag aan tien mensen die het weten kunnen om je uit te leggen wat een persoonlijk voornaamwoord is. Negen van die tien zullen in hun eerste zin iets zeggen als "je kunt ermee naar personen verwijzen."
Daarmee wordt het belangrijkste misverstand over het persoonlijk voornaamwoord in het leven geroepen: dat dat woordje persoonlijk iets te maken heeft met het verwijzen naar mensen.

En wat zegt die tiende persoon die je het vraagt? Die tiende, dat is natuurlijk de taalprof. En die zegt heel wat anders.

zondag 2 juli 2006

Een bijzondere woordsoort





Wat maakt het voornaamwoord tot een bijzondere woordsoort? Alles, eigenlijk. In deze log werd al opgemerkt dat het voornaamwoord interessant is omdat het betekenisarm is. Daardoor kun je in voornaamwoorden de kleinste betekeniseenheden in de taal in levende lijve aan het werk zien. Maar er is nog veel meer.

Om te beginnen is het voornaamwoord een gesloten woordklasse. Simpel gezegd: er zijn er niet zo veel van, en er komt er haast nooit eentje bij. Zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, werkwoorden, daarvan staan er tienduizenden in een gemiddeld woordenboek. Maar een knappe jongen die honderd voornaamwoorden kan opsommen. Dan moet je heel soepel tellen, en alles meerekenen wat ook maar in de verste verten een beetje op een voornaamwoord lijkt.


In schoolgrammatica (en ook in heel wat minder geleerde publicaties) lees je vaak dat het voornaamwoord zo heet omdat het in plaats van (= "voor") naamwoorden staat. Het voornaamwoord "staat voor" het zelfstandig naamwoord of het bijvoeglijk naamwoord. Dat is allemaal leuk en aardig, maar wat schiet je daar nou mee op? En klopt dat wel? Voor welk naamwoord staat bijvoorbeeld ik dan? De spreker? Mijn persoon? Maar dat zijn telkens twee woorden! Eigenlijk klopt die hele bewering dus niet echt.


Het probleem is dat die term voornaamwoord duizenden jaren geleden bedacht is door taalkundigen, die voornamelijk het Latijn voor ogen hadden (die noemden de woordsoort pronomina, wat we in het Nederlands domweg letterlijk vertaald hebben). En die taalkundigen waren best slimme jongens (in tegenstelling tot vandaag waren er toen weinig vrouwelijke taalkundigen), maar ze wisten echt nog niet zoveel van taal als wij nu. Niet omdat ze dommer waren, maar omdat het taalkundige onderzoek de afgelopen tweeduizend jaar heus wel vooruitgang heeft geboekt. Maar goed, daardoor zitten we opgescheept met een term die uitdrukt hoe men daar tweeduizend jaar geleden over dacht. En omdat voornaamwoorden vooral in de laatste eeuw heel erg veel aandacht hebben gekregen, is daar nu veel meer over bekend.


Het belangrijkste wat voornaamwoorden onderscheidt van andere woorden is de manier waarop ze verwijzen. Met voornaamwoorden kun je mensen, dieren of dingen aanwijzen, of je kunt het daarover hebben zonder dat je andere eigenschappen noemt. Andere woorden hebben dat niet. Een woord als minister-president verwijst niet naar een persoon, maar naar een eigenschap, een beroep. Wil je het over een persoon hebben, dan moet daar op zijn minst een lidwoord bij (de minister-president). Een voornaamwoord heeft dat allemaal niet nodig. Met hij, hem of die kun je het over dezelfde persoon hebben, zonder dat je erbij zegt wat zijn beroep is. Hooguit drukt het woord hij uit dat de betreffende persoon een man is.


Voornaamwoorden zijn dus betekenisarme verwijswoorden, voor als je niet telkens een hele woordgroep wilt gebruiken om over iemand of iets te praten. Handige afkortingen die de dagelijkse gesprekken een stuk korter maken. Een soort SMS-taal uit de oertijd, zou je kunnen zeggen.

Betekenisarm, dat betekent: met weinig betekenis. Het simpelste voornaamwoord is een woord dat naar een concreet iets of naar een specifieke persoon verwijst. Jij, ik, hun, veel minder betekenis kun je niet hebben. Dat is het persoonlijk voornaamwoord. Je kunt iets of iemand ook meer precies aanwijzen, met het betekeniselement "dichtbij" of "veraf". Dan heb je het aanwijzend voornaamwoord. Of je kunt het voornaamwoord als een soort bijvoeglijk naamwoord gebruiken (jouw, mijn), waardoor je het bezittelijk voornaamwoord krijgt (weer zo'n foute term). Of je gebruikt het voornaamwoord om iemand of iets te introduceren in het gesprek, zodat je daar later naar kunt verwijzen (iemand, iets). Dan heb je het onbepaald voornaamwoord. Je kunt die verwijzing ook "bevragen". Dat betekent dat je vraagt naar een verwijzing (wie?, wat?). Allemaal heel kleine variaties op het betekenisarme verwijswoord.


Het meest bijzondere voornaamwoord in het Nederlands is het betrekkelijk voornaamwoord. Ook dat is een soort jokerteken, dat in bijvoeglijke bijzinnen (bijzinnen die bij een zelfstandig naamwoord staan) de link legt met het zelfstandig naamwoord (de speler die de bal heeft). Zeer bijzonder, met hele rare eigenschappen in het Nederlands.

In de komende logs zal ik al deze voornaamwoorden eens onder de loep nemen. Ze zijn allemaal in hun soort vreselijk interessant, en er valt veel meer over te vertellen dan je gewoonlijk hoort.


Één bijzonderheid van het voornaamwoord heb ik nog niet verteld: eigenlijk is het voornaamwoord geen echte woordsoort. Van een los woord kun je gewoonlijk wel zeggen of het een werkwoord is, of een voegwoord, of een bijwoord. Maar voornaamwoorden, die kun je alleen maar goed herkennen als je ze als zinsdelen bekijkt. Je moet weten wat voor rol ze spelen in de zin om ze goed te kunnen benoemen. Ook dat is iets wat andere woordsoorten niet hebben. Ja, het voornaamwoord is een bijzondere woordsoort!

vrijdag 30 juni 2006

Het taalkundige fruitvliegje



"Zeg, kun jij op jouw weblog niet eens aandacht besteden aan voornaamwoorden?"
"Wie, ik?"
"Bijvoorbeeld. Maar andere voornaamwoorden mag ook."
"Wat?"
"Is ook prima. Als het maar over voornaamwoorden gaat."
"Hoezo?"
"Nee, dat is volgens mij geen voornaamwoord. Maar dat weet jij beter dan ik."
"..."
"Hallo, ben je daar nog?"
"Nee, ik stond even op het verkeerde been. Maar wat wil je dan weten over voornaamwoorden?"

zaterdag 24 juni 2006

Grammatica, wat heb je eraan?




Stel je moet een spreekbeurt houden over je favoriete hobby. Je houdt een gloedvol betoog over de fijne details van het nieuwste computerspel, of je geeft een compleet overzicht van de carrière van je popidool. Je illustreert het allemaal met prachtige foto's, filmpjes en mp3-tjes, en je laat op alle mogelijke manieren blijken wat voor een fantastisch en interessant onderwerp het is. En dan, na afloop, zit er zo'n eigenwijze kneus achter in de klas, die al de hele tijd verveeld achterover leunde (en aan wie je trouwens achteraf altijd al een hekel had), en die vraagt: "Ja, maar wat heb je er eigenlijk aan?" Ja, HALLO!

vrijdag 23 juni 2006

Exotische Indianentaal



In de NRC van donderdag 22 juni staat een groot artikel over de taal van de Aymara, een Zuid-Amerikaans indianenvolk. De Aymarataal is opmerkelijk in een aantal opzichten. Zo beschouwen de Aymara de toekomst als iets wat achter je ligt, terwijl ze het verleden vóór zich zien. Hoe komt dat? De onderzoekers denken dat kennis voor de Aymara, meer dan voor andere volkeren, te maken heeft met wat je gezien hebt. Je verleden, dat heb je gezien, dus dat ligt vóór je, en je toekomst is onzichtbaar, dus achter je. Ze merken verder op dat "gezien hebben" in de Aymarataal een grote rol speelt. De verslaggever van de NRC drukt het als volgt uit: Een Aymara die zegt: "Gisteren kookte mijn moeder aardappels" gebruikt verschillende werkwoordsvormen wanneer hij dat zelf heeft gezien en wanneer hij dat niet heeft gezien.


Je hoort zo'n verslaggever bij het schrijven van die zin denken: "Rare jongens, die Aymara! Vreemde, exotische eigenschap in een taal, dat je verschillende werkwoordsvormen gebruikt als je iets vertelt waar je zelf bij geweest bent." Maar hoe exotisch is dat eigenlijk? Dat valt nog best wel mee.

dinsdag 20 juni 2006

Objection, your honor!




In de log Het verraderlijke voorzetselvoorwerp heb ik het over de moeilijkheden bij de benoeming van het voorzetselvoorwerp. Daar blijkt dat dat nog niet zo makkelijk is. Erger nog, je kunt erover discussiëren of iets nu wel of niet een voorzetselvoorwerp is. Wat moeten we daarmee? Is dat erg? Of kunnen we hier iets moois van leren?


Het is een wijdverbreid misverstand dat in de zinsontleding alles al vaststaat. De ontleding van sommige zinnen is nog een groot probleem, en over veel gevallen rollen taalkundigen vechtend over straat. Nou zou je zeggen: zoek het dan eerst uit en val ons er pas mee lastig als je het zeker weet. Maar dan ga je voorbij aan de lol van de grammatica.


Als je iemand van moord beschuldigt, dan kun je dat officieel, voor een rechtbank doen. Je gaat dan op zoek naar argumenten. Echter, als je er goed over nadenkt, besef je dat bijna geen enkel argument echt bewijst dat iemand de moordenaar is. Iemand kan een bekentenis afgelegd hebben, maar die kan onder dwang verkregen zijn, of de verdachte sprak in een vlaag van verstandsverbijstering. Er kunnen getuigen zijn, maar zijn die wel betrouwbaar? Vingerafdrukken, dna-sporen, dat zijn allemaal sterke aanwijzingen voor schuld, maar de advocaat van de verdachte zal alles in twijfel proberen te trekken. Waar het om gaat is dat je argumenten overtuigend zijn.


Maar zo is het ook in de ontleding. Je zinsdeel- of woordsoortbenoeming is een beschuldiging, die je met argumenten moet waarmaken. Tegenover wie? Nou ja, als je op school zit, tegenover je docent. Zie de docent als een bevooroordeeld rechter, die mogelijk al door andere advocaten (de grammaticaboekjes, of een leermeester) is "bewerkt". Het is jouw opgave om hem of haar van je ontleding te overtuigen. Bedenk dat geen enkele benoeming "waar is". Er zijn alleen ontledingen waar iedereen het tot nu toe over eens is.


Ontleden is dus niet hetzelfde als het oplossen van een puzzel. Bij een puzzel staat de oplossing vast. In de wetenschap zijn alle oplossingen onzeker.

Het verraderlijke voorzetselvoorwerp


Trammelant in taalkundeland! Onder de veelzeggende titel Worstelen met het voorzetselvoorwerp publiceerde de taalkundige Ina Schermer-Vermeer in het laatste nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde een artikel over de definitie van het voorzetselvoorwerp. Dat is nog een hele klus. Blijkbaar bestaat er veel onenigheid onder taalkundigen over wat nou precies een voorzetselvoorwerp is, en wat je daar wel en niet onder mag rekenen. Mooi is dat! Het voorzetselvoorwerp, dat wordt toch al jaren onderwezen op de middelbare scholen? Als de geleerden daar nu nog over bekvechten, hoe moeten die arme leerlingen er dan wijs uit worden? 

woensdag 14 juni 2006

In de docentenkamer



"Koffie?"
"Ja lekker! Daar ben ik wel aan toe op maandagmorgen."
"En? Heb je het slechte nieuws gelezen?"
"Welke wedstrijd bedoel je?"
"Nee, ik bedoel de kennisbijlage van de NRC van 10 juni 2006."
"Wat stond daarin dan?"
"Je hebt hem niet open gehad."
"Nee, druk druk druk. Barbecue, vrienden op bezoek, je weet hoe dat gaat."
"Jaja"
"Maar wat was dat slechte nieuws dan?"
"Nou, paginagroot artikel, met de kop Grammatica bestaat niet."
"Zo! Dan kan De Groot wel inpakken met zijn lessen Nederlands. Hee, daar heb je hem net."