Gisteren was de taalprof op de conferentie Het Schoolvak Nederlands, inmiddels omgedoopt tot een nieuwe naam waarvan alleen het slangachtige beeldmerk in het midden zich nog in zijn geheugen heeft vastgezet. Daar hield hij een spectaculaire lezing (althans wat de belangstelling betrof), na afloop waarvan hij aangesproken werd door een aantal jonge Vlaamse onderzoeksters, die kritiek hadden op de formulering van de nieuwe Vlaamse eindtermen voor het grammaticaonderwijs. Daar werd namelijk nadenken over taal centraal gesteld. Dat was niet goed.
Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onderwijs. Alle posts tonen
zaterdag 17 november 2012
dinsdag 27 maart 2012
Nationale Bijspijkerdag Zinsontleding geprolongeerd
"Wat zit jij nou te doen?"
"O niks, ik stel een advertentie op voor de Nationale Bijspijkerdag Zinsontleding 2012."
"Hè? Is dat echt iets? Ik dacht dat dat een grap was."
"Nee hoor, het vorig jaar was dat een groot succes."
"Ga weg! Je gaat me toch niet vertellen dat er docenten zijn die zich een hele dag willen laten bijspijkeren in de traditionele zinsontleding."
"Jazeker wel! Er waren tientallen deelnemers, het lokaal zat vol, en ze kwamen uit het hele land. En uit België, niet te vergeten."
"Dus het was een internationale dag?"
"Ja zo zou je dat kunnen zeggen."
"Maar wat doe je dan zo'n hele dag? Oefenen tot je erbij neervalt?"
"Nee, dat was niet de opzet. Er waren wel praktische opdrachten, maar de nadruk lag op de inhoud."
"De inhoud."
"Ja, die was in twee delen verdeeld."
"Jaja, taalkundig en redekundig. Woordsoorten en zinsdelen."
"Nee, juist niet. In de ochtendsessie namen we de totale theorie van de traditionele zinsontleding door, dus alle woorden en zinsdelen."
"Toe maar! Dat krijg je toch nooit voor elkaar..."
"Jawel, als je maar het juiste abstractieniveau gebruikt, en de concepten áchter de termen bespreekt."
"Nou haak ik al meteen af."
"Vergis je niet: de ochtendsessie was zelfs te volgen voor docenten die van zichzelf vonden dat ze weinig kaas gegeten hadden van de zinsontleding."
"Maar dan zaten de gevorderden er toch gapend bij?"
"Dat was het leuke juist! Doordat de stof op een heel andere manier bekeken werd, was het zelfs voor de doorgewinterde ontleder fris en interessant. Er waren allerlei ideeën voor een andere aanpak. En dan had je natuurlijk het Grote Geheim dat Alle Angst en Onzekerheid Wegneemt."
"Pardon?"
"Tja dan moet je eigenlijk de dag bijwonen, dat ga ik natuurlijk niet zomaar prijsgeven."
"Nou ik weet het niet hoor. En wat gebeurde er dan 's middags?"
"In de middag bespraken we een aantal interessante kwesties, die ook geschikt zijn voor bespreking in de bovenbouw, en we eindigden met een hondsmoeilijke tekst, om te zien hoe goed we na afloop van de dag waren in vergelijking met aan het begin."
"Klinkt ambitieus! En je verwacht dit jaar weer inschrijvingen?"
"Ja hoor, het gaat vast weer vol lopen. Het vorig jaar hebben we al mensen moeten teleurstellen, die komen zeker dit jaar weer aankloppen. En dan maar hopen dat ze er op tijd bij zijn."
"O niks, ik stel een advertentie op voor de Nationale Bijspijkerdag Zinsontleding 2012."
"Hè? Is dat echt iets? Ik dacht dat dat een grap was."
"Nee hoor, het vorig jaar was dat een groot succes."
"Ga weg! Je gaat me toch niet vertellen dat er docenten zijn die zich een hele dag willen laten bijspijkeren in de traditionele zinsontleding."
"Jazeker wel! Er waren tientallen deelnemers, het lokaal zat vol, en ze kwamen uit het hele land. En uit België, niet te vergeten."
"Dus het was een internationale dag?"
"Ja zo zou je dat kunnen zeggen."
"Maar wat doe je dan zo'n hele dag? Oefenen tot je erbij neervalt?"
"Nee, dat was niet de opzet. Er waren wel praktische opdrachten, maar de nadruk lag op de inhoud."
"De inhoud."
"Ja, die was in twee delen verdeeld."
"Jaja, taalkundig en redekundig. Woordsoorten en zinsdelen."
"Nee, juist niet. In de ochtendsessie namen we de totale theorie van de traditionele zinsontleding door, dus alle woorden en zinsdelen."
"Toe maar! Dat krijg je toch nooit voor elkaar..."
"Jawel, als je maar het juiste abstractieniveau gebruikt, en de concepten áchter de termen bespreekt."
"Nou haak ik al meteen af."
"Vergis je niet: de ochtendsessie was zelfs te volgen voor docenten die van zichzelf vonden dat ze weinig kaas gegeten hadden van de zinsontleding."
"Maar dan zaten de gevorderden er toch gapend bij?"
"Dat was het leuke juist! Doordat de stof op een heel andere manier bekeken werd, was het zelfs voor de doorgewinterde ontleder fris en interessant. Er waren allerlei ideeën voor een andere aanpak. En dan had je natuurlijk het Grote Geheim dat Alle Angst en Onzekerheid Wegneemt."
"Pardon?"
"Tja dan moet je eigenlijk de dag bijwonen, dat ga ik natuurlijk niet zomaar prijsgeven."
"Nou ik weet het niet hoor. En wat gebeurde er dan 's middags?"
"In de middag bespraken we een aantal interessante kwesties, die ook geschikt zijn voor bespreking in de bovenbouw, en we eindigden met een hondsmoeilijke tekst, om te zien hoe goed we na afloop van de dag waren in vergelijking met aan het begin."
"Klinkt ambitieus! En je verwacht dit jaar weer inschrijvingen?"
"Ja hoor, het gaat vast weer vol lopen. Het vorig jaar hebben we al mensen moeten teleurstellen, die komen zeker dit jaar weer aankloppen. En dan maar hopen dat ze er op tijd bij zijn."
donderdag 15 maart 2012
De smaak van lekker
Op vrijdag de 13e kun je beter niet de weg op gaan, want dan heb je een grotere kans dat je iets overkomt. Er is geen enkele aanwijzing dat de toevallige samenloop van een weekdag met een zoveelste dag van de maand een oorzaak kan vormen voor het optreden van ongelukken, maar het volksgeloof is hardnekkig. Zelfs mensen die dit erkennen hebben nog de neiging om toch verklaringen te bedenken waarom er toch een sprankje waarheid in de onzinbewering zou kunnen zitten: misschien zijn er meer bijgelovige mensen op de weg, die overdreven goed opletten en daardoor ongelukken veroorzaken. Ik weet bijna zeker dat er lezers zijn die bij deze verklaring denken: "Hee, ja daar zit toch wat in!"
dinsdag 7 februari 2012
Beste ouders,
ik schrijf u deze brief omdat u op een ouderavond de leraar Nederlands van uw zoon/dochter hebt aangesproken op de grammaticalessen. U vond dat de leraar uw zoon/dochter met te veel onzekerheden opzadelde. U zag liever dat de grammatica op de ouderwetse manier onderwezen werd, met handige rijtjes die je van buiten kunt leren, en ezelsbruggetjes die je snel naar het juiste antwoord leiden. In plaats daarvan begon de leraar Nederlands van elke ontleding een probleem te maken en zelfs in sommige gevallen uit te spreken het ook niet allemaal zeker te weten. Hierdoor raakte uw zoon/dochter in grote verwarring. U suggereerde toen dat de desbetreffende leraar maar eens op een nascholingscursus grammatica zou moeten gaan.
Als taalprof word ik herhaaldelijk geconfronteerd met dit soort verhalen van leraren die op zo'n nascholingscursus geweest zijn. Het eerste wat ze op die cursus namelijk leren is dat de ontleding vol zit met onzekerheden, en dat je in je lessen maar beter kunt proberen om je leerlingen te leren om daarmee om te gaan dan dat je dit krampachtig probeert te verdoezelen.
Ik begrijp heel goed dat uw kinderen (en u zelf) zich wat ongemakkelijk voelen bij onzekerheden, maar ik geef u heel graag de volgende wijsheid ter overweging, die u het beste op een tegeltje aan de wand kunt spijkeren: "Waar de zekerheid begint, houdt het nadenken op."
Vanaf het moment dat je iets zeker weet, verdwijnt de noodzaak om er verder over na te denken. En het voornaamste doel van het onderwijs is om de leerlingen te leren nadenken. Daartoe moeten zij geconfronteerd worden met onzekerheden. Dat moeten wel onzekerheden zijn die hen stimuleren om na te denken, en die niet zo massaal zijn dat ze hen laten dichtklappen (dat is blijkbaar in uw geval gebeurd), maar u zult het met mij eens zijn dat je beter goed voorbereid kunt zijn op onzekerheden in de toekomst dan dat je een heleboel kennis hebt over zekerheden uit het verleden.
In het geval van uw zoon/dochter komt daar nog iets bij: die zit namelijk op het vwo, dat tot doel heeft om de leerlingen voor te bereiden op de wetenschap. En in de wetenschap, kan ik u vertellen, bestaan er bitter weinig zekerheden. In de wetenschap gaat het juist om het omgaan met de onzekerheden. Alleen zo komen we vooruit. Door uw zoon/dochter op het vwo te plaatsen hebt u ervoor gekozen om hem/haar toe te rusten met de vaardigheden om die onzekerheden aan te kunnen. Dan kunt u eigenlijk niet willen dat er meer zekerheden in de lessen moeten zitten.
De grammatica, beste ouders, heeft tot doel te beschrijven hoe de taal in elkaar zit. Grammaticalessen geven uw zoon/dochter de mogelijkheid om daar stukjes van te doorzien. Dit komt hun van pas als zij zich op het gebied van de Nederlandse taal aan de taalnorm moeten houden (want de taalnorm is voor een belangrijk deel gebaseerd op hoe de taal in elkaar zit), en als zij een vreemde taal leren (want vreemde talen worden vanuit dezelfde principes beschreven als het Nederlands, ook in de lesmethodes). Belangrijk bij dit alles is dat zij leren redeneren over de taalvorm. De leraar Nederlands van uw zoon/dochter is bezig om ze dat te leren. Dat is misschien niet de gemakkelijke weg (rijtjes en ezelsbruggetjes zijn makkelijker), maar wel de beste, en misschien ook wel de leukste. Misschien mag ik dat met een vergelijking illustreren.
U maakt in uw vrije tijd vast wel eens een sudoku. Als u dat doet (en vaker doet), dan zult u de ervaring hebben dat de sudokus waarbij te veel cijfertjes al ingevuld zijn, helemaal niet zo leuk meer zijn. Veel te gemakkelijk. Naarmate u beter wordt krijgt u steeds meer behoefte aan sudoku's waarin minder cijfers zijn ingevuld, met andere woorden: waarin de onzekerheden in aantal toenemen. Alleen door sudoku's te maken met voldoende onzekerheden wordt u een betere puzzelaar.
Maakt u zich dus geen zorgen, beste ouders, over de leraar Nederlands die zegt dat de grammaticale ontleding vaak onzeker is. Maakt u zich eerder zorgen om al die andere leraren die alles wel zeker weten. Die horen eigenlijk op het vwo niet thuis.
hoogachtend,
de taalprof
Als taalprof word ik herhaaldelijk geconfronteerd met dit soort verhalen van leraren die op zo'n nascholingscursus geweest zijn. Het eerste wat ze op die cursus namelijk leren is dat de ontleding vol zit met onzekerheden, en dat je in je lessen maar beter kunt proberen om je leerlingen te leren om daarmee om te gaan dan dat je dit krampachtig probeert te verdoezelen.
Ik begrijp heel goed dat uw kinderen (en u zelf) zich wat ongemakkelijk voelen bij onzekerheden, maar ik geef u heel graag de volgende wijsheid ter overweging, die u het beste op een tegeltje aan de wand kunt spijkeren: "Waar de zekerheid begint, houdt het nadenken op."
Vanaf het moment dat je iets zeker weet, verdwijnt de noodzaak om er verder over na te denken. En het voornaamste doel van het onderwijs is om de leerlingen te leren nadenken. Daartoe moeten zij geconfronteerd worden met onzekerheden. Dat moeten wel onzekerheden zijn die hen stimuleren om na te denken, en die niet zo massaal zijn dat ze hen laten dichtklappen (dat is blijkbaar in uw geval gebeurd), maar u zult het met mij eens zijn dat je beter goed voorbereid kunt zijn op onzekerheden in de toekomst dan dat je een heleboel kennis hebt over zekerheden uit het verleden.
In het geval van uw zoon/dochter komt daar nog iets bij: die zit namelijk op het vwo, dat tot doel heeft om de leerlingen voor te bereiden op de wetenschap. En in de wetenschap, kan ik u vertellen, bestaan er bitter weinig zekerheden. In de wetenschap gaat het juist om het omgaan met de onzekerheden. Alleen zo komen we vooruit. Door uw zoon/dochter op het vwo te plaatsen hebt u ervoor gekozen om hem/haar toe te rusten met de vaardigheden om die onzekerheden aan te kunnen. Dan kunt u eigenlijk niet willen dat er meer zekerheden in de lessen moeten zitten.
De grammatica, beste ouders, heeft tot doel te beschrijven hoe de taal in elkaar zit. Grammaticalessen geven uw zoon/dochter de mogelijkheid om daar stukjes van te doorzien. Dit komt hun van pas als zij zich op het gebied van de Nederlandse taal aan de taalnorm moeten houden (want de taalnorm is voor een belangrijk deel gebaseerd op hoe de taal in elkaar zit), en als zij een vreemde taal leren (want vreemde talen worden vanuit dezelfde principes beschreven als het Nederlands, ook in de lesmethodes). Belangrijk bij dit alles is dat zij leren redeneren over de taalvorm. De leraar Nederlands van uw zoon/dochter is bezig om ze dat te leren. Dat is misschien niet de gemakkelijke weg (rijtjes en ezelsbruggetjes zijn makkelijker), maar wel de beste, en misschien ook wel de leukste. Misschien mag ik dat met een vergelijking illustreren.
U maakt in uw vrije tijd vast wel eens een sudoku. Als u dat doet (en vaker doet), dan zult u de ervaring hebben dat de sudokus waarbij te veel cijfertjes al ingevuld zijn, helemaal niet zo leuk meer zijn. Veel te gemakkelijk. Naarmate u beter wordt krijgt u steeds meer behoefte aan sudoku's waarin minder cijfers zijn ingevuld, met andere woorden: waarin de onzekerheden in aantal toenemen. Alleen door sudoku's te maken met voldoende onzekerheden wordt u een betere puzzelaar.
Maakt u zich dus geen zorgen, beste ouders, over de leraar Nederlands die zegt dat de grammaticale ontleding vaak onzeker is. Maakt u zich eerder zorgen om al die andere leraren die alles wel zeker weten. Die horen eigenlijk op het vwo niet thuis.
hoogachtend,
de taalprof
donderdag 2 februari 2012
De taalnorm klopt nooit
Veel mensen schijnen te denken dat de taalnorm in overeenstemming moet zijn met het taalgevoel van de meerderheid van de taalgemeenschap. Taalnormaanhangers verzetten zich tegen deze gedachte. Ze hebben gelijk.
Ik heb het al vaker gezegd: als de norm gelijk was aan het taalgevoel, dan was hij nergens voor nodig. Misschien scherper gezegd: dan bestond hij niet. Immers, het heeft weinig zin om taalgebruikers als verplicht voor te houden wat ze toch al doen. Die norm zou hooguit bij het onderwijs aan anderstaligen een rol kunnen spelen.
Dat is natuurlijk een extreme situatie: in werkelijkheid zul je altijd taalregels hebben die maar door een deel van de taalgemeenschap als onnatuurlijk worden ervaren, terwijl een ander deel vindt dat het om heel natuurlijke regels gaat. Dat mag zo zijn, maar dan kun je nog constateren dat het belang van de norm afneemt naarmate minder mensen hem overtreden. En dus toeneemt naarmate meer mensen hem overtreden. Nog anders gezegd: hoe meer mensen de norm onnatuurlijk vinden, des te belangrijker wordt hij, omdat het voor de taalgemeenschap moeilijker wordt om hem te handhaven.
Het mag dan op het eerste gezicht een loffelijk streven lijken om de norm zo veel mogelijk te laten aansluiten op het taalgevoel, lukken zal dit nooit.
Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen de taalnorm en de taalwerkelijkheid (de taal die wij concreet produceren). Ook daar vind je die noodzakelijke ongelijkheid: als de norm gelijk zou zijn aan de werkelijkheid, was hij daarmee meteen verdwenen.
Hiermee is natuurlijk niets gezegd ten voordele of ten nadele van de norm (of specifieke regels daaruit). Of je de norm een goede zaak vindt is een andere discussie. Maar hij wijkt in elk geval noodzakelijkerwijs af van het taalgevoel.
Ik heb het al vaker gezegd: als de norm gelijk was aan het taalgevoel, dan was hij nergens voor nodig. Misschien scherper gezegd: dan bestond hij niet. Immers, het heeft weinig zin om taalgebruikers als verplicht voor te houden wat ze toch al doen. Die norm zou hooguit bij het onderwijs aan anderstaligen een rol kunnen spelen.
Dat is natuurlijk een extreme situatie: in werkelijkheid zul je altijd taalregels hebben die maar door een deel van de taalgemeenschap als onnatuurlijk worden ervaren, terwijl een ander deel vindt dat het om heel natuurlijke regels gaat. Dat mag zo zijn, maar dan kun je nog constateren dat het belang van de norm afneemt naarmate minder mensen hem overtreden. En dus toeneemt naarmate meer mensen hem overtreden. Nog anders gezegd: hoe meer mensen de norm onnatuurlijk vinden, des te belangrijker wordt hij, omdat het voor de taalgemeenschap moeilijker wordt om hem te handhaven.
Het mag dan op het eerste gezicht een loffelijk streven lijken om de norm zo veel mogelijk te laten aansluiten op het taalgevoel, lukken zal dit nooit.
Hetzelfde geldt voor de verhouding tussen de taalnorm en de taalwerkelijkheid (de taal die wij concreet produceren). Ook daar vind je die noodzakelijke ongelijkheid: als de norm gelijk zou zijn aan de werkelijkheid, was hij daarmee meteen verdwenen.
Hiermee is natuurlijk niets gezegd ten voordele of ten nadele van de norm (of specifieke regels daaruit). Of je de norm een goede zaak vindt is een andere discussie. Maar hij wijkt in elk geval noodzakelijkerwijs af van het taalgevoel.
zondag 29 januari 2012
Hun dikke ut foorbeeld an
In een opiniestuk in de Volkskrant maakt Jeanet Meijs, bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland, zich boos over het niveau van de (nieuwe) leerkrachten in het basisonderwijs. Een van deze "dramatisch ongeschikte mensen" zou beledigd over ouders hebben gezegd: Hun denke dat se alles beter wete als mij.
De taalprof weet te weinig van onderzoek naar het gemiddelde niveau van de basisschoolleerkracht, maar hij ziet wel wat er mis is met de presentatie van dit voorbeeld. Die verraadt namelijk weinig kennis over wat goed en fout is in de taal.
De zin Hun denke dat se alles beter wete als mij ziet er inderdaad erg fout uit. Maar let op: de leerkracht heeft hem zo niet opgeschreven, het gaat om een gesproken taaluiting die door de auteur van het artikel is opgeschreven.
Natuurlijk, in gesproken taal gelden ook taalnormen. Zo is het gebruik van hun als onderwerp een schending van de taalnorm, en ook de constructie beter als mij is al tientallen jaren het klassieke voorbeeld van de taalfout. Dat is inmiddels al zo'n cliché geworden dat je je langzamerhand zou kunnen afvragen waarom de taalgebruikers toch met alle geweld deze fout willen blijven maken. De taalkundige Paardekooper pleit hier al jaren voor als ik (in plaats van -ja ik zeg het er maar voor de zekerheid bij- het correcte dan ik).
Maar goed, die klassieke fouten, daar hoor je mij niet over. Voor de auteur een gelukkig toeval dat de leerkracht ze zo mooi aan het begin en einde van een relatief korte uiting heeft neergezet, dat citeert lekker, maar akkoord: een leerkracht die dit zo zegt gaat te veel met zijn tijd mee en moet teruggefloten worden. Hij (of zij) zal het niet voor de klas gezegd hebben denk ik, want daar hebben ze wel wat beters te doen, maar goed, leraren moeten ook in de kroeg op hun woorden letten.
Nee, het gaat me om de rest van die uiting. Daar staan drie andere afwijkingen van de schrijftaalnorm in: denke, se, en wete. Daardoor lijkt het allemaal nog een stuk fouter dan dat het al was. De auteur had ook nog beter als baiter kunnen spellen, dat se aan elkaar en als als as, dan was elk woord verdacht geweest.
De suggestie van deze spelwijzen is duidelijk: de leerkracht spreekt het ook nog allemaal verkeerd uit. Maar hoe verkeerd is dat eigenlijk, dat je de slot-n van werkwoorden weglaat? Ik zou zeggen: kijk eens in een uitspraakgids, dan zie je dat dit standaardnederlands is. Met andere woorden: het is geheel in overeenstemming met de taalnorm om denke en wete te zeggen. Vlekkeloze uitspraak van de leerkracht.
Maar dat se dan, dat is toch een schoolvoorbeeld van stadsaccent? Amsterdams bijvoorbeeld (de son in de see sien sakke). Maar ook hier slaat de auteur van het artikel de plank mis: het voornaamwoord ze achter het voegwoord dat ondergaat een fonologisch effect dat voorwaartse assimilatie wordt genoemd: de stemhebbende z wordt de stemloze s onder invloed van de stemloze t. Dat is een uitspraakregel van het Nederlands, die volledig overeenstemt met de norm. Sterker nog: als je geforceerd ze zou willen uitspreken wordt het automatisch iets als dad ze, en dat is zeker fout.
De gewraakte spelwijzen, die dus op schrift er heel fout uitzien, zijn dus precies de weergaven van hoe het hoort. Het is wel duidelijk waarom de auteur dit zo gedaan heeft: om de taalfouten aan het begin en het einde retorisch nog wat aan te dikken. Maar juist hierdoor graaft zij haar eigen graf: in plaats van de leerkracht verder te incrimineren, ontmaskert zij zichzelf als iemand die niet begrijpt hoe de taal in elkaar zit.
De taalprof weet te weinig van onderzoek naar het gemiddelde niveau van de basisschoolleerkracht, maar hij ziet wel wat er mis is met de presentatie van dit voorbeeld. Die verraadt namelijk weinig kennis over wat goed en fout is in de taal.
De zin Hun denke dat se alles beter wete als mij ziet er inderdaad erg fout uit. Maar let op: de leerkracht heeft hem zo niet opgeschreven, het gaat om een gesproken taaluiting die door de auteur van het artikel is opgeschreven.
Natuurlijk, in gesproken taal gelden ook taalnormen. Zo is het gebruik van hun als onderwerp een schending van de taalnorm, en ook de constructie beter als mij is al tientallen jaren het klassieke voorbeeld van de taalfout. Dat is inmiddels al zo'n cliché geworden dat je je langzamerhand zou kunnen afvragen waarom de taalgebruikers toch met alle geweld deze fout willen blijven maken. De taalkundige Paardekooper pleit hier al jaren voor als ik (in plaats van -ja ik zeg het er maar voor de zekerheid bij- het correcte dan ik).
Maar goed, die klassieke fouten, daar hoor je mij niet over. Voor de auteur een gelukkig toeval dat de leerkracht ze zo mooi aan het begin en einde van een relatief korte uiting heeft neergezet, dat citeert lekker, maar akkoord: een leerkracht die dit zo zegt gaat te veel met zijn tijd mee en moet teruggefloten worden. Hij (of zij) zal het niet voor de klas gezegd hebben denk ik, want daar hebben ze wel wat beters te doen, maar goed, leraren moeten ook in de kroeg op hun woorden letten.
Nee, het gaat me om de rest van die uiting. Daar staan drie andere afwijkingen van de schrijftaalnorm in: denke, se, en wete. Daardoor lijkt het allemaal nog een stuk fouter dan dat het al was. De auteur had ook nog beter als baiter kunnen spellen, dat se aan elkaar en als als as, dan was elk woord verdacht geweest.
De suggestie van deze spelwijzen is duidelijk: de leerkracht spreekt het ook nog allemaal verkeerd uit. Maar hoe verkeerd is dat eigenlijk, dat je de slot-n van werkwoorden weglaat? Ik zou zeggen: kijk eens in een uitspraakgids, dan zie je dat dit standaardnederlands is. Met andere woorden: het is geheel in overeenstemming met de taalnorm om denke en wete te zeggen. Vlekkeloze uitspraak van de leerkracht.
Maar dat se dan, dat is toch een schoolvoorbeeld van stadsaccent? Amsterdams bijvoorbeeld (de son in de see sien sakke). Maar ook hier slaat de auteur van het artikel de plank mis: het voornaamwoord ze achter het voegwoord dat ondergaat een fonologisch effect dat voorwaartse assimilatie wordt genoemd: de stemhebbende z wordt de stemloze s onder invloed van de stemloze t. Dat is een uitspraakregel van het Nederlands, die volledig overeenstemt met de norm. Sterker nog: als je geforceerd ze zou willen uitspreken wordt het automatisch iets als dad ze, en dat is zeker fout.
De gewraakte spelwijzen, die dus op schrift er heel fout uitzien, zijn dus precies de weergaven van hoe het hoort. Het is wel duidelijk waarom de auteur dit zo gedaan heeft: om de taalfouten aan het begin en het einde retorisch nog wat aan te dikken. Maar juist hierdoor graaft zij haar eigen graf: in plaats van de leerkracht verder te incrimineren, ontmaskert zij zichzelf als iemand die niet begrijpt hoe de taal in elkaar zit.
maandag 23 januari 2012
Je kunt het niet vaak genoeg zeggen
Minister van Onderwijs Van Bijsterveldt twitterde zojuist: hoogbegaafden zijn van grote waarde voor onze samenleving. Een waar woord. Daar zal niet iedereen het meteen mee oneens zijn. Vooral niet de mensen die zich afvragen wat hoogbegaafdheid precies is en hoe het bepaald wordt.
Hoogbegaafdheid, dat is een bovengemiddelde beheersing van een verzameling van vaardigheden. Wat voor vaardigheden zijn dat? Wel, dat zijn precies de vaardigheden die van grote waarde zijn voor onze samenleving. In hoogbegaafdheidsmetingen zit vast geen vaardigheid die bestaat uit het zo snel mogelijk naar binnen stouwen van frikadellen, of het zorgvuldig inbrengen van een met heroïne gevulde injectienaald in je eigen arm.
Wie hoog scoort op een hoogbegaafdheidstest beheerst dus in bovengemiddelde mate de vaardigheden die van grote waarde zijn voor onze samenleving. De minister beweert dus dat mensen die in hoge mate vaardigheden beheersen die van grote waarde zijn voor onze samenleving, van grote waarde zijn voor onze samenleving. Uh huh.
In feite bevestigt de minister met haar uitspraak dus alleen de meetmethode. Als hoogbegaafden inderdaad van grote waarde zijn voor onze samenleving, dan is die hoogbegaafdheid dus goed gemeten. Helaas is dit vast niet wat de minister had willen zeggen. Zij heeft ongetwijfeld de intentie gehad om te suggereren dat zij aandacht heeft voor de hoogbegaafden, en dat het door haar gesubsidieerde onderwijs die hoogbegaafdheid opkweekt.
Overigens is die aandacht wel loffelijk, al zou je ook kunnen denken dat alle leerlingen het onderwijs verdienen dat past bij hun mogelijkheden. Dat lijkt me namelijk in het woord samenleving opgesloten.
Hoogbegaafdheid, dat is een bovengemiddelde beheersing van een verzameling van vaardigheden. Wat voor vaardigheden zijn dat? Wel, dat zijn precies de vaardigheden die van grote waarde zijn voor onze samenleving. In hoogbegaafdheidsmetingen zit vast geen vaardigheid die bestaat uit het zo snel mogelijk naar binnen stouwen van frikadellen, of het zorgvuldig inbrengen van een met heroïne gevulde injectienaald in je eigen arm.
Wie hoog scoort op een hoogbegaafdheidstest beheerst dus in bovengemiddelde mate de vaardigheden die van grote waarde zijn voor onze samenleving. De minister beweert dus dat mensen die in hoge mate vaardigheden beheersen die van grote waarde zijn voor onze samenleving, van grote waarde zijn voor onze samenleving. Uh huh.
In feite bevestigt de minister met haar uitspraak dus alleen de meetmethode. Als hoogbegaafden inderdaad van grote waarde zijn voor onze samenleving, dan is die hoogbegaafdheid dus goed gemeten. Helaas is dit vast niet wat de minister had willen zeggen. Zij heeft ongetwijfeld de intentie gehad om te suggereren dat zij aandacht heeft voor de hoogbegaafden, en dat het door haar gesubsidieerde onderwijs die hoogbegaafdheid opkweekt.
Overigens is die aandacht wel loffelijk, al zou je ook kunnen denken dat alle leerlingen het onderwijs verdienen dat past bij hun mogelijkheden. Dat lijkt me namelijk in het woord samenleving opgesloten.
zondag 21 november 2010
Taalprof lekt powerpointpresentatie
Afgelopen zaterdag was de Taalprof op het congres "Het Schoolvak Nederlands," waar hij onder andere aanwezig was bij een presentatie over grammaticale concepten. De boodschap was dat het grammaticaonderwijs zich meer zou moeten richten op de concepten die ten grondslag liggen aan grammaticale termen zoals persoonsvorm en naamwoordelijk gezegde. Interessant verhaal, en volstrekt overtuigend ook nog.
Na afloop wist de taalprof in een onbewaakt ogenblik de hand te leggen op de powerpointpresentatie, die de auteur in een onvoorzichtige bui op het bureaublad van de daar aanwezige laptop had gekopieerd. Zeg nou zelf, dan vraag je erom. Dit is het bestand. En dan deelde de auteur ook nog eens handouts uit. Dat doe je tegenwoordig toch ook niet meer? Hup, op het internet ermee!
Na afloop wist de taalprof in een onbewaakt ogenblik de hand te leggen op de powerpointpresentatie, die de auteur in een onvoorzichtige bui op het bureaublad van de daar aanwezige laptop had gekopieerd. Zeg nou zelf, dan vraag je erom. Dit is het bestand. En dan deelde de auteur ook nog eens handouts uit. Dat doe je tegenwoordig toch ook niet meer? Hup, op het internet ermee!
woensdag 16 juni 2010
Hoe interessant het ook is


De taalprof kijkt af en toe (niet vaak genoeg) ook wel eens op het forum van de digitale school. Dat is een vrij matig bezocht forum bestemd voor docenten Nederlands. Niet zo heel veel postings (tien, twintig per maand), maar je kunt wel zien hoe vaak ze bekeken worden. De meeste een paar honderd keer, maar de afgelopen maand springen er twee uit: de ene met het onderwerp naamwoordelijk gezegde, en de ander met 'dit huis is van mij' ontleed deze zin, allebei ongeveer 10.000 keer bekeken. Blijkbaar zijn heel veel mensen daarin geïnteresseerd.
dinsdag 9 februari 2010
Plasterk is een grammabeet


Er zijn heel veel mensen die heel weinig kennis hebben van grammatica. Daarmee bedoel ik niet dat ze incorrect spreken of schrijven (dat valt dan wel weer mee), maar dat ze met een schaamteloze onbekommerdheid de grootst mogelijke onzin beweren over de grammatica van het Nederlands. Als ze daarbij een grammaticale term gebruiken is de kans groot dat die verkeerd gebruikt is, of dat overduidelijk blijkt dat ze geen idee hebben waar hij over gaat.
Nu is het nota bene de minister van onderwijs die blunder op blunder stapelt.
zondag 10 januari 2010
De laatste plaatsen
Er zijn nog plaatsen vrij in de nascholingscursus Grammaticaal Denken met de Taalprof, die in de zijkolom geadverteerd wordt. Dus ben je docent in het voortgezet onderwijs, en ben je het nieuwe jaar begonnen met het vaste voornemen om nu eindelijk eens je lessen grammatica op een hoger plan te brengen, stap dan snel naar je schooldirectie en doe een claim op het nascholingsbudget. Inschrijvingen worden in volgorde afgewerkt, dus de eerste inschrijvers krijgen voorrang.
De Taalprof wil wel eens iets weten
Na de succesvolle verkiezing van de Taalzuurpruim 2009, en eerdere inventarisaties van wat de lezers het moeilijkste of makkelijkste zinsdeel vinden, wil de taalprof nu wel eens weten wat er tegenwoordig op de scholen (nog) aan zinsontleding wordt gedaan.
Meer specifiek gaat het mij nu om een inventarisatie van de huidige toestand (dus niet invullen wat je vroeger allemaal deed), in het huidige voortgezet onderwijs (dus niet de basisschool, de pabo of de universiteit invullen, ook als dat minder is).
Om het enigszins beheersbaar te houden heb ik een beperkt aantal categorieën gemaakt. Kies de categorie die het dichtst ligt bij wat jij op school doet. Kies bij twijfel de categorie net boven wat je werkelijk doet. Licht het eventueel toe in de reacties op dit logje.
Meer specifiek gaat het mij nu om een inventarisatie van de huidige toestand (dus niet invullen wat je vroeger allemaal deed), in het huidige voortgezet onderwijs (dus niet de basisschool, de pabo of de universiteit invullen, ook als dat minder is).
Om het enigszins beheersbaar te houden heb ik een beperkt aantal categorieën gemaakt. Kies de categorie die het dichtst ligt bij wat jij op school doet. Kies bij twijfel de categorie net boven wat je werkelijk doet. Licht het eventueel toe in de reacties op dit logje.
Grammaticale Puzzel week 2
Geen heel erg duidelijke voorkeur bij de eerste Grammaticale Puzzel van 2010: maar 85 stemmen, waarvan nog niet de helft (39) voor de tweede optie, Wij zaten als portier op een zelfgemaakt krukje. De andere helft werd verdeeld over de zin met als versteend (25) en die met als portiers (21). Ook geen duidelijke trend in de motivatie (maar weinig stemmers hadden de behoefte om daarover te speculeren): een lezer zocht het in de "letterlijke betekenis" van als portier (waarbij "de betreffende personen daadwerkelijk portier zijn"), een ander probeerde een motivatie in de verplaatsbaarheid te vinden, en een derde merkte eenvoudigweg op dat portier(s) een zelfstandig naamwoord was en versteend niet.
Allemaal prima natuurlijk, maar ik zou eigenlijk wel eens een discussie willen zien tussen die stemmers die het blijkbaar toch niet zo met elkaar eens zijn. Want het is wel een interessante kwestie. De tegenstelling tussen zin 2 en 3 is de klassieke tegenstelling tussen bepaling van gesteldheid en bijwoordelijke bepaling van vergelijking: bij als portier is er alleen maar een predicatief verband (wij zijn inderdaad "daadwerkelijk portier," of portier geweest), en bij als portiers heb je in elk geval de vergelijkende lezing "alsof we portiers waren," ook al zou ik me kunnen voorstellen dat je daar ook een uitsluitend predicatieve lezing hebt ("toen we portiers waren"). En wat is het bij als versteend? Ik zou zeggen, hoofdzakelijk alleen maar vergelijking.
Het nadenken moet beginnen bij de constatering dat eigenlijk alledrie de gevallen wel iets predicatiefs hebben. In alledrie de zinnen wordt gezegd dat wij portier zijn, of versteend zijn, of althans dat het net is alsof wij portier zijn of versteend zijn. Het is dat extra vergelijkende karakter dat de ontleding als bijwoordelijke bepaling motiveert. Maar de voorbeelden tonen aan hoe dicht die bij een bepaling van gesteldheid ligt.
De opgave voor deze week. Misschien mag ik er nog een keer aan toevoegen dat er geen foute antwoorden zijn, en dat de opgave pas interessant wordt bij een discussie. Zonder discussie is elk antwoord goed, en kan ik alleen maar speculeren over de redenen voor de stemmenverdeling. Dus graag motivatie!
Allemaal prima natuurlijk, maar ik zou eigenlijk wel eens een discussie willen zien tussen die stemmers die het blijkbaar toch niet zo met elkaar eens zijn. Want het is wel een interessante kwestie. De tegenstelling tussen zin 2 en 3 is de klassieke tegenstelling tussen bepaling van gesteldheid en bijwoordelijke bepaling van vergelijking: bij als portier is er alleen maar een predicatief verband (wij zijn inderdaad "daadwerkelijk portier," of portier geweest), en bij als portiers heb je in elk geval de vergelijkende lezing "alsof we portiers waren," ook al zou ik me kunnen voorstellen dat je daar ook een uitsluitend predicatieve lezing hebt ("toen we portiers waren"). En wat is het bij als versteend? Ik zou zeggen, hoofdzakelijk alleen maar vergelijking.
Het nadenken moet beginnen bij de constatering dat eigenlijk alledrie de gevallen wel iets predicatiefs hebben. In alledrie de zinnen wordt gezegd dat wij portier zijn, of versteend zijn, of althans dat het net is alsof wij portier zijn of versteend zijn. Het is dat extra vergelijkende karakter dat de ontleding als bijwoordelijke bepaling motiveert. Maar de voorbeelden tonen aan hoe dicht die bij een bepaling van gesteldheid ligt.
De opgave voor deze week. Misschien mag ik er nog een keer aan toevoegen dat er geen foute antwoorden zijn, en dat de opgave pas interessant wordt bij een discussie. Zonder discussie is elk antwoord goed, en kan ik alleen maar speculeren over de redenen voor de stemmenverdeling. Dus graag motivatie!
zondag 3 januari 2010
Taalprof schaamt zich nergens voor
Het valt misschien niemand op, maar op het taalprofweblog heeft nog nooit reclame gestaan. Dat komt omdat de taalprof de moeite heeft genomen om een betaald weblogabonnement te nemen, alles om zijn lezers niet onnodig te irriteren met een hinderlijke reclamebalk bovenaan het scherm.
Maar zekerheden zijn er om ter discussie te stellen, dus vanaf vandaag toch een reclameboodschap in de rechterbovenhoek. Het is voor een goed doel (het nascholen van grammaticadocenten), dat ook nog eens aansluit bij de missie van het taalprofweblog, dus dat kan de taalprof nog wel aan zijn geweten verantwoorden. En de inschrijving sluit eind januari, dus het is voor een beperkte duur.
De nascholingscursus wordt gegeven door een vakdidacticus van de Radboud universiteit, maar het staat vast dat de taalprof zelf hierin als gastdocent zal optreden. Dat garandeert dus een gouden combinatie van vakdidactische en taalkundige kwaliteit. Dit is nou zo'n activiteit waar het door de minister verstrekte persoonlijke nascholingsbudget voor leraren voor bedoeld is. Grijp je kans, want het aantal deelnemers is beperkt!
Maar zekerheden zijn er om ter discussie te stellen, dus vanaf vandaag toch een reclameboodschap in de rechterbovenhoek. Het is voor een goed doel (het nascholen van grammaticadocenten), dat ook nog eens aansluit bij de missie van het taalprofweblog, dus dat kan de taalprof nog wel aan zijn geweten verantwoorden. En de inschrijving sluit eind januari, dus het is voor een beperkte duur.
De nascholingscursus wordt gegeven door een vakdidacticus van de Radboud universiteit, maar het staat vast dat de taalprof zelf hierin als gastdocent zal optreden. Dat garandeert dus een gouden combinatie van vakdidactische en taalkundige kwaliteit. Dit is nou zo'n activiteit waar het door de minister verstrekte persoonlijke nascholingsbudget voor leraren voor bedoeld is. Grijp je kans, want het aantal deelnemers is beperkt!
Grammaticale Puzzel week 1
De laatste puzzel van 2009 leverde ondanks de vakantie en de late publicatie niet eens zoveel minder stemmers op dan andere: precies 100, waardoor de percentages samenvielen met de absolute aantallen. Mooie spreiding ditmaal: 35 stemmers kozen voor De taalprof biedt u deze nieuwjaarswens aan, 17 voor Deze nieuwjaarswens wordt u aangeboden door de taalprof, en 48 voor U krijgt deze nieuwjaarswens aangeboden door de taalprof.
De bedoeling was om het nadenken over de lijdende vorm te stimuleren. De tweede zin is de klassieke passieve tegenhanger van de eerste, en de tweede is het zogeheten "pseudopassief" (of "semipassief"), dat gevormd wordt met het werkwoord krijgen, en het oorspronkelijke meewerkend voorwerp in onderwerpspositie.
De lezers die de eerste zin kiezen, zullen dat hebben gedaan omdat het de enige actieve zin is, waarin de handelende persoon het onderwerp is. In de andere twee varianten staat de handelende persoon meer op de achtergrond. Sommige lezers die voor de derde zin opteren, merken op dat zin 1 en 2 elkaars tegenhangers zijn en dat daarom 3 het buitenbeentje is. Argumentatie voor de tweede zin is er nauwelijks, of het moet de opmerking zijn dat deze zin het enige echte passief is.
Misschien zijn er meer motieven, maar ze kwamen in de argumentatie niet bovendrijven. In de eerste twee zinnen is u meewerkend voorwerp, bijvoorbeeld, of in zin 1 en 3 is de nieuwjaarswens lijdend voorwerp. In zin 2 en 3 worden hulpwerkwoorden gebruikt. Een lezer merkt nog op de derde zin pleonastisch te vinden. Misschien dat dit oordeel voortkomt uit de lezing waarin aangeboden door de taalprof een bijvoeglijke bepaling bij nieuwjaarswens is (niet zo waarschijnlijk in deze vorm, maar te forceren met een komma).
De nieuwe opgave:
De bedoeling was om het nadenken over de lijdende vorm te stimuleren. De tweede zin is de klassieke passieve tegenhanger van de eerste, en de tweede is het zogeheten "pseudopassief" (of "semipassief"), dat gevormd wordt met het werkwoord krijgen, en het oorspronkelijke meewerkend voorwerp in onderwerpspositie.
De lezers die de eerste zin kiezen, zullen dat hebben gedaan omdat het de enige actieve zin is, waarin de handelende persoon het onderwerp is. In de andere twee varianten staat de handelende persoon meer op de achtergrond. Sommige lezers die voor de derde zin opteren, merken op dat zin 1 en 2 elkaars tegenhangers zijn en dat daarom 3 het buitenbeentje is. Argumentatie voor de tweede zin is er nauwelijks, of het moet de opmerking zijn dat deze zin het enige echte passief is.
Misschien zijn er meer motieven, maar ze kwamen in de argumentatie niet bovendrijven. In de eerste twee zinnen is u meewerkend voorwerp, bijvoorbeeld, of in zin 1 en 3 is de nieuwjaarswens lijdend voorwerp. In zin 2 en 3 worden hulpwerkwoorden gebruikt. Een lezer merkt nog op de derde zin pleonastisch te vinden. Misschien dat dit oordeel voortkomt uit de lezing waarin aangeboden door de taalprof een bijvoeglijke bepaling bij nieuwjaarswens is (niet zo waarschijnlijk in deze vorm, maar te forceren met een komma).
De nieuwe opgave:
dinsdag 29 december 2009
Grammaticale Puzzel week 53
Ik had er eigenlijk iets anders van verwacht. Ik had gedacht dat de meeste mensen de zin De reizigers worden geadviseerd niet meer met de trein te reizen zouden aanwijzen als de enige ongrammaticale zin. De derde optie, De reizigers worden aangespoord niet meer met de trein te reizen is oncontroversieel, en de tweede, De reizigers worden verzocht niet meer met de trein te reizen, is weliswaar een clichévoorbeeld in de taaladvieswereld, maar iedereen is het er eigenlijk wel zo'n beetje over eens dat het een acceptabele zin is. Dus ik had gedacht: iedereen kiest de eerste zin.
Maar nee, 60% kiest de derde zin, en de andere twee worden ongeveer even vaak aangewezen. Een mooi resultaat voor een puzzel die het denken moet stimuleren: in een groepje besproken zal hij zeker discussie opleveren. Maar wel opmerkelijk.
Zoals verwacht is de argumentatie op grond van de betekenis hier ondergeschikt. Er zijn wel een paar lezers die proberen een semantisch verschil aan te wijzen, in de sfeer van "vrijblijvend," "urgent" (ik denk dat dit aansluit bij het communicatieve aspect van de eerste twee werkwoorden, en het mogelijk lichamelijke van aansporen), maar ze zijn in de minderheid. De meeste mensen gaan in op de kwestie correct-incorrect, en redeneren dus dat alleen de derde goed is en de eerste twee (eigenlijk) fout.
Toch zijn er ook nogal wat lezers die op een syntactisch aspect ingaan: hoewel je bij de zelfstandige naamwoorden advies, verzoek en aansporing een bepaling met aan kunt hebben, is dit bij het zelfstandig gebruikte werkwoord (het adviseren, het verzoeken, het aansporen) al niet meer het geval: het aansporen aan de reizigers kan niet. En dit is ook zo bij de werkwoorden in de actieve zin: wij adviseren aan de reizigers... is prima, wij sporen aan de reizigers aan... is fout. Blijkbaar vinden mensen wij verzoeken aan de reizigers... meer aansluiten bij adviseren dan bij aansporen (waar je volgens mij nog best over zou kunnen discussiëren).
De aanleiding voor deze puzzel was een discussie die ik aantrof op het internet over de zin De reizigers wordt geadviseerd niet meer met de trein te reizen, die daadwerkelijk de vorige week op de aankondigingsborden in de stations te zien is geweest. In die discussie kwam de vraag op of hier ook worden kon worden gebruikt. Een aantal deelnemers merkte op dat de taalprof zou beweren dat dat kon. In werkelijkheid heb ik dat niet met zoveel woorden beweerd. Ik heb een hele discussie gevoerd over dezelfde zin met verzoeken, waarin ik betoogde dat in iemand (om) iets verzoeken het zinsdeel iemand geen meewerkend voorwerp, maar een lijdend voorwerp is. Over adviseren ging de discussie niet. Als je mij zou vragen hoe het met adviseren zit, dan zou mijn antwoord zijn dat in wij adviseren de reizigers om niet meer met de trein te reizen het zinsdeel de reizigers wél meewerkend voorwerp is, vooral omdat wij adviseren aan de reizigers om niet meer met de trein te reizen een prima zin is. Veel beter dan wij verzoeken aan de reizigers om niet meer met de trein te reizen, in mijn beleving dan.
Betekent dit dat ik de reizigers worden geadviseerd om niet meer met de trein te reizen een foute zin vind? Nou nee. Er zijn twee redenen om hem goed te keuren: allereerst de redenering die ook vaak bij verzocht worden wordt toegepast: waarom zou je in de lijdende vorm geen meewerkend voorwerp tot onderwerp mogen maken? En ten tweede: hoewel onwaarschijnlijker dan bij verzoeken is er ook bij adviseren een redenering die iemand als lijdend voorwerp aanwijst. In de zin Wie adviseert jullie eigenlijk? (in de betekenis "Wie is jullie raadsman?" of "Wie voorziet jullie van advies?") heeft jullie meer het karakter van een lijdend voorwerp dan van een meewerkend voorwerp. Hier is bijplaatsing van aan dan ook onmogelijk: Wie adviseert aan jullie eigenlijk? lijkt me onmogelijk. Vanuit die gedachte is de analyse met iemand als lijdend voorwerp in alle constructies niet zo gek.
Is er ook nog een reden om de tweede zin aan te wijzen als vreemde eend? Ja, onder de argumentatie dat je bij adviseren eerder wordt zou kiezen, bij aansporen eerder worden. Alleen bij verzoeken zou je echt twee keuzes hebben.
Dan nu toch nog een puzzel voor de 53e week. Beetje later dan gewoonlijk, maar het is ook een gekke tijd. Volgende keer weer gewoon op zondagochtend.
Maar nee, 60% kiest de derde zin, en de andere twee worden ongeveer even vaak aangewezen. Een mooi resultaat voor een puzzel die het denken moet stimuleren: in een groepje besproken zal hij zeker discussie opleveren. Maar wel opmerkelijk.
Zoals verwacht is de argumentatie op grond van de betekenis hier ondergeschikt. Er zijn wel een paar lezers die proberen een semantisch verschil aan te wijzen, in de sfeer van "vrijblijvend," "urgent" (ik denk dat dit aansluit bij het communicatieve aspect van de eerste twee werkwoorden, en het mogelijk lichamelijke van aansporen), maar ze zijn in de minderheid. De meeste mensen gaan in op de kwestie correct-incorrect, en redeneren dus dat alleen de derde goed is en de eerste twee (eigenlijk) fout.
Toch zijn er ook nogal wat lezers die op een syntactisch aspect ingaan: hoewel je bij de zelfstandige naamwoorden advies, verzoek en aansporing een bepaling met aan kunt hebben, is dit bij het zelfstandig gebruikte werkwoord (het adviseren, het verzoeken, het aansporen) al niet meer het geval: het aansporen aan de reizigers kan niet. En dit is ook zo bij de werkwoorden in de actieve zin: wij adviseren aan de reizigers... is prima, wij sporen aan de reizigers aan... is fout. Blijkbaar vinden mensen wij verzoeken aan de reizigers... meer aansluiten bij adviseren dan bij aansporen (waar je volgens mij nog best over zou kunnen discussiëren).
De aanleiding voor deze puzzel was een discussie die ik aantrof op het internet over de zin De reizigers wordt geadviseerd niet meer met de trein te reizen, die daadwerkelijk de vorige week op de aankondigingsborden in de stations te zien is geweest. In die discussie kwam de vraag op of hier ook worden kon worden gebruikt. Een aantal deelnemers merkte op dat de taalprof zou beweren dat dat kon. In werkelijkheid heb ik dat niet met zoveel woorden beweerd. Ik heb een hele discussie gevoerd over dezelfde zin met verzoeken, waarin ik betoogde dat in iemand (om) iets verzoeken het zinsdeel iemand geen meewerkend voorwerp, maar een lijdend voorwerp is. Over adviseren ging de discussie niet. Als je mij zou vragen hoe het met adviseren zit, dan zou mijn antwoord zijn dat in wij adviseren de reizigers om niet meer met de trein te reizen het zinsdeel de reizigers wél meewerkend voorwerp is, vooral omdat wij adviseren aan de reizigers om niet meer met de trein te reizen een prima zin is. Veel beter dan wij verzoeken aan de reizigers om niet meer met de trein te reizen, in mijn beleving dan.
Betekent dit dat ik de reizigers worden geadviseerd om niet meer met de trein te reizen een foute zin vind? Nou nee. Er zijn twee redenen om hem goed te keuren: allereerst de redenering die ook vaak bij verzocht worden wordt toegepast: waarom zou je in de lijdende vorm geen meewerkend voorwerp tot onderwerp mogen maken? En ten tweede: hoewel onwaarschijnlijker dan bij verzoeken is er ook bij adviseren een redenering die iemand als lijdend voorwerp aanwijst. In de zin Wie adviseert jullie eigenlijk? (in de betekenis "Wie is jullie raadsman?" of "Wie voorziet jullie van advies?") heeft jullie meer het karakter van een lijdend voorwerp dan van een meewerkend voorwerp. Hier is bijplaatsing van aan dan ook onmogelijk: Wie adviseert aan jullie eigenlijk? lijkt me onmogelijk. Vanuit die gedachte is de analyse met iemand als lijdend voorwerp in alle constructies niet zo gek.
Is er ook nog een reden om de tweede zin aan te wijzen als vreemde eend? Ja, onder de argumentatie dat je bij adviseren eerder wordt zou kiezen, bij aansporen eerder worden. Alleen bij verzoeken zou je echt twee keuzes hebben.
Dan nu toch nog een puzzel voor de 53e week. Beetje later dan gewoonlijk, maar het is ook een gekke tijd. Volgende keer weer gewoon op zondagochtend.
zondag 20 december 2009
Grammaticale Puzzel week 52
De puzzel van de vorige week gaf tot nu toe de beste spreiding: slechts 61% van de 107 stemmers koos voor het tweede alternatief, ik ben net bezig een boek te lezen. Helaas ging bij de commentaren bijna niemand in op de reden voor die keuze, alhoewel een lezer die variant "de meest gekunstelde noemde," en een ander veronderstelde dat met bezig zijn met eerder een plaats in het boek aangeduid wordt dan een plaats in de tijd (wat ik persoonlijk moeilijk aan te voelen vind). Ik denk dat de constructie met het bijvoeglijk naamwoord (bezig) door de meesten als duidelijk anders werd gevoeld dan die met zitten te of met zijn aan het, juist vanwege dat bijvoeglijk naamwoord. De andere twee opties scoren ongeveer gelijk (19 en 21%).
Interessant in deze zinnen was natuurlijk de kwestie of het hier naamwoordelijke of werkwoordelijke gezegdes betreft. De betekenis is nagenoeg gelijk, het gaat echt om de syntaxis. Ik denk dat de meeste kiezers de constructie met bezig echt naamwoordelijk vonden en de andere meer werkwoordelijk. In de discussie over aan het van een tijdje terug maakte de taalprof er een punt van dat de constructie met aan het ook naamwoordelijk zou zijn, hetgeen de derde optie de vreemde eend in de bijt zou doen zijn. De eerste zin zou je kunnen kiezen als je opmerkt dat in de bijzin de persoonsvorm achteraan staat: omdat ik net een boek aan het lezen ben, omdat ik net bezig ben een boek te lezen, omdat ik net een boek zit te lezen. Alleen in het eerste geval kan ben achteraan staan.
Volgende puzzel:
Interessant in deze zinnen was natuurlijk de kwestie of het hier naamwoordelijke of werkwoordelijke gezegdes betreft. De betekenis is nagenoeg gelijk, het gaat echt om de syntaxis. Ik denk dat de meeste kiezers de constructie met bezig echt naamwoordelijk vonden en de andere meer werkwoordelijk. In de discussie over aan het van een tijdje terug maakte de taalprof er een punt van dat de constructie met aan het ook naamwoordelijk zou zijn, hetgeen de derde optie de vreemde eend in de bijt zou doen zijn. De eerste zin zou je kunnen kiezen als je opmerkt dat in de bijzin de persoonsvorm achteraan staat: omdat ik net een boek aan het lezen ben, omdat ik net bezig ben een boek te lezen, omdat ik net een boek zit te lezen. Alleen in het eerste geval kan ben achteraan staan.
Volgende puzzel:
zondag 13 december 2009
Grammaticale Puzzel week 51
Het aantal deelnemers aan de puzzels neemt snel af. Maar 71 mensen reageerden op de puzzel uit week 50. Daarvan stemde de overgrote meerderheid (73%) op de tweede optie (alles wat wij kunnen willen). Minder dan de vorige keren, maar ook hier weer lijkt de betekenis de beslissende factor. Mensen signaleren allereerst de overeenkomst tussen kennen en weten. Verder springt de tweede optie eruit omdat hij dubbelzinnig is (alhoewel ook opgemerkt wordt dat kennen ook de substandaardvariant van het hulpwerkwoord kunnen zou kennen zijn).
De eerste optie (alles wat wij weten willen) heeft een afwijkende intonatie (klemtoon op weten), en bij de derde optie (alles wat wij willen kennen) staat het hoofdwerkwoord in ieder geval zeker achteraan.
Deze puzzel lijkt me geschikt om het verschil tussen zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord aan de orde te stellen. Zelfs de betekenisverschillen zijn terug te voeren op de interpretatie van een van de twee werkwoorden als hulpwerkwoord. Zelfs als je twee potentiële hulpwerkwoorden naast elkaar zet, moet je er toch één als zelfstandig werkwoord opvatten, en allebei tegelijk kan niet (tenzij je er op een creatieve manier een samengestelde zin in ziet). Er zijn volgordekwesties en intonatiekwesties die hier een rol spelen.
Ondanks de terugloop in deelnemersaantal ga ik door met de volgende puzzel:
De eerste optie (alles wat wij weten willen) heeft een afwijkende intonatie (klemtoon op weten), en bij de derde optie (alles wat wij willen kennen) staat het hoofdwerkwoord in ieder geval zeker achteraan.
Deze puzzel lijkt me geschikt om het verschil tussen zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord aan de orde te stellen. Zelfs de betekenisverschillen zijn terug te voeren op de interpretatie van een van de twee werkwoorden als hulpwerkwoord. Zelfs als je twee potentiële hulpwerkwoorden naast elkaar zet, moet je er toch één als zelfstandig werkwoord opvatten, en allebei tegelijk kan niet (tenzij je er op een creatieve manier een samengestelde zin in ziet). Er zijn volgordekwesties en intonatiekwesties die hier een rol spelen.
Ondanks de terugloop in deelnemersaantal ga ik door met de volgende puzzel:
zondag 6 december 2009
Grammaticale Puzzel week 50
De puzzel van vorige week leverde een minder uitgesproken voorkeur op dan de andere twee: 72% koos voor de derde optie, ik heb daar de hele ochtend in geslapen, waar daarin een plaatsbepaling was. In de andere gevallen werd het voornaamwoordelijk bijwoord eerder gelezen als een voorwerp (ergens op studeren, ergens iets aan besteden),
hoewel ook daar creatieve analyses werden bedacht waardoor een
bijwoordelijke lezing mogelijk zou worden. Blijkbaar vond men dit
betekenisverschil (dat samenhangt met een ontleedverschil) belangrijker
dan de functie van de hele ochtend: 19% koos voor ik heb daar de hele ochtend aan besteed, omdat daar de hele ochtend
een lijdend voorwerp was, terwijl het in de andere gevallen
bijwoordelijke bepaling van tijd (van duur) was. Toch nog 9% koos voor ik heb daar de hele ochtend op gestudeerd, waarschijnlijk vanwege het feit dat dit de enige dubbelzinnige was.
Nu de nieuwe:
Nu de nieuwe:
zondag 29 november 2009
Grammaticale Puzzel week 49
Maar liefst 87% van de stemmers bij de puzzel van vorige week kozen voor kinderen hebben als de taaluiting die er niet bij hoorde. De meesten deden dat op grond van de betekenis: kinderen lachen en kinderen spreken gaat over communicatie, en kinderen hebben niet. Ook waren er mensen die opmerkten dat kinderen hebben een onaffe zin is. Die opmerking impliceert dat ze kinderen als onderwerp wensten te beschouwen of ervan uitgingen dat alledrie de uitingen per se hele zinnen moesten zijn, maar dat stond niet in de opgave. Blijkbaar zijn deze twee syntactische neigingen erg sterk. Zo sterk dat de overeenkomst tussen kinderen spreken en kinderen hebben vrijwel verloren ging. Want zowel kinderen spreken als kinderen hebben kun je opvatten als woordgroepen met kinderen als voorwerp (ik wil kinderen spreken/hebben). Hierdoor viel ook de mogelijkheid vrijwel weg om kinderen spreken te kiezen, als enige dubbelzinnige uiting.
Niemand baseerde zich op de klankvorm van de uitingen: het feit dat je in geval van een combinatie tussen voorwerp en werkwoord het werkwoord in de intonatie kunt reduceren viel niemand op (althans, niemand noemde die observatie).
De puzzel van de vorige week is daarom misschien in deze vorm niet zo geschikt om veel discussie los te weken. De bedoeling was om de combinatie voorwerp - werkwoord te onderscheiden van onderwerp - werkwoord, zowel in betekenis, zinsbouw en klankvorm, maar de meeste relevante eigenschappen bleven buiten beeld.
De volgende puzzel. Beetje complexer, maar het principe is hetzelfde: alles is goed, als je het maar kunt motiveren.
Niemand baseerde zich op de klankvorm van de uitingen: het feit dat je in geval van een combinatie tussen voorwerp en werkwoord het werkwoord in de intonatie kunt reduceren viel niemand op (althans, niemand noemde die observatie).
De puzzel van de vorige week is daarom misschien in deze vorm niet zo geschikt om veel discussie los te weken. De bedoeling was om de combinatie voorwerp - werkwoord te onderscheiden van onderwerp - werkwoord, zowel in betekenis, zinsbouw en klankvorm, maar de meeste relevante eigenschappen bleven buiten beeld.
De volgende puzzel. Beetje complexer, maar het principe is hetzelfde: alles is goed, als je het maar kunt motiveren.
Abonneren op:
Posts (Atom)