donderdag 27 april 2006

Ontleedgevecht in Disco OKEE



Als Taalprof heb je het niet gemakkelijk. Je moet voortdurend op je hoede zijn voor betweters die niets liever doen dan je onderuit halen. Dat is de prijs die je betaalt voor de roem. Het is een hard bestaan, maar iemand moet het doen.


Het was zo'n zwoele, broeierige avond, waarop het maar niet wilde afkoelen.

maandag 24 april 2006

Wanneer was je voor het laatst verbaasd?



De Taalprof krijgt ook wel eens e-mail, naast de vragen op de weblog. Zo kreeg hij dit weekend maar liefst twee mails over dezelfde kwestie, op dezelfde school nota bene!


Wat was er aan de hand? Een leerling had bij de ontleding van de zin ik was erg verbaasd gezegd dat het naamwoordelijk gezegde was, en dat was fout gerekend. Gemor in de wandelgangen, discussie in de klaslokalen! Hoezo was dat fout? Was verbaasd dan geen bijvoeglijk naamwoord? Nee, zei de docent, verbaasd is een werkwoord, en dus is het een werkwoordelijk gezegde met was als hulpwerkwoord.


Andere docenten gingen zich ermee bemoeien, andere talen werden erbij gehaald. Zelfs de wiskundedocent deed een duit in het zakje. Onrust in de lerarenkamer!

Ten einde raad wendden de docent én de vader van de leerling zich tot de Taalprof. Wie heeft er gelijk? De Taalprof hakte de knoop door.

In de discussie op de bewuste school werd op verschillende manieren geargumenteerd (verbaasd is een werkwoord, in andere talen staat in deze zin een bijvoeglijk naamwoord), maar al die redeneringen leiden af van waar het echt om gaat, en wat ik al in de log Wat is een naamwoordelijk gezegde? heb genoemd: is er sprake van zijn of doen? Als je erg verbaasd bent, ben je dan iets, of heeft iemand (of iets) jou iets gedaan? Alle andere redeneringen of ezelsbruggetjes, of proefjes, zijn allemaal ondergeschikt aan die vraag. Is het zijn of doen? Zo simpel is het.

Op dit punt aangekomen denk ik dat iedereen zou zeggen: als je verbaasd bent, dan ben je iets, dus naamwoordelijk. Dit is dan ook de beste ontleding. De leerling heeft gelijk. Maar lees nog even door, want het is de moeite waard om te begrijpen wat hier aan de hand is.


De zin ik ben verbaasd is namelijk oorspronkelijk een lijdende vorm van iets (of iemand) heeft mij verbaasd, wat weer de voltooide tijd is van iets (of iemand) verbaast mij. Als je van jij verbaast mij erg een lijdende vorm maakt, krijg je ik word door jou erg verbaasd. Zet je dat in de voltooide tijd, dan krijg je ik ben door jou erg verbaasd (het werkwoord geworden wordt in het Nederlands dan weggelaten). Maak je daar weer voltooid verleden tijd van, dan wordt het ik was door jou erg verbaasd. Laat je daarin dan door jou weg, dan krijg je ik was erg verbaasd.


Hee, wat is dat nou? Nou hebben we een werkwoordelijk gezegde, in de lijdende vorm, met was als hulpwerkwoord van tijd! Had de docent dan toch gelijk?


Het voorbeeld laat zien dat de docent inderdaad geen onzin beweerde. Toch is deze laatste ontleding van de uiteindelijke zin wel onwaarschijnlijk. Hoe weet ik dat zo zeker? Dat zie je als je het tijdsverschil tussen de twee ontledingen bekijkt.


In de naamwoordelijke ontleding van ik was erg verbaasd is was een koppelwerkwoord. De zin staat in de gewone (de onvoltooid) verleden tijd. In de werkwoordelijke ontleding is er sprake van een lijdende vorm, daar de voltooide tijd van, en daar weer de verleden tijd van. Dat is dus de voltooid verleden tijd. Kun je dat zien, dat verschil?


Hoe ontdek je of een zin in de verleden tijd of in de voltooid verleden tijd staat?

Dat gaat ongeveer op dezelfde manier als ik beschreef in de log Tijden en werkwoorden. Zet er een tijdsbepaling als zaterdag bij. Een gewone verleden tijd (Ik speelde zaterdag een goede wedstrijd) kan dan alleen betekenen dat er iets gebeurde op een zaterdag in het verleden (zeer waarschijnlijk afgelopen zaterdag).


En hoe zit het met een voltooid verleden tijd? Kijk naar de zin Ik had zaterdag een goede wedstrijd gespeeld. Nu zijn er volgens mij twee betekenissen: de ene is dat je die goede wedstrijd afgelopen zaterdag al achter de rug had (hij is bijvoorbeeld op vrijdag al gespeeld), en de andere betekenis is, dat je afgelopen zaterdag helemaal geen goede wedstrijd gespeeld hebt, maar dat dat had kunnen gebeuren als er niet iets tussen gekomen was. Bijvoorbeeld, de wedstrijd werd vanwege de regen afgelast en je zegt: ik had zaterdag een goede wedstrijd gespeeld, als hij niet afgelast was (want ik was goed in vorm).


Welke betekenis heeft nu Ik was zaterdag erg verbaasd?. Kan dat betekenen dat je niet verbaasd was, maar dat dat had kunnen gebeuren als er niets tussen gekomen was? Lijkt me moeilijk. Kan het dan betekenen dat je verbazing zaterdag al achter de rug was? Misschien, als je je heel erg probeert voor te stellen dat iemand jou vrijdag al verbaasde en je wilt benadrukken dat dat zaterdag allang gebeurd was: Nee man, ik was záterdag allang erg verbaasd, dat gebeurde namelijk vrijdag al!.


Nee, de meest waarschijnlijke betekenis van ik was zaterdag erg verbaasd is dat jij op zaterdag verbaasd was, de gewone verleden tijd dus. Maar dan is er dus ook geen sprake van voltooide tijd, en dus is was geen hulpwerkwoord maar een koppelwerkwoord. En verbaasd is dan naamwoordelijk deel van het gezegde.


Wat voor woordsoort is verbaasd dan? Wel, dat ligt er maar aan. Veel taalkundigen vinden het het beste om voltooide deelwoorden die naamwoordelijk deel zijn te benoemen als een bijvoeglijk naamwoord. Dat is niet zo gek. Je ziet dat dit soort deelwoorden zich ook een beetje gaan gedragen als bijvoeglijke naamwoorden. Je kunt er een vergrotende trap van maken (verbaasder), of afleidingen als verbaasdheid (naast verbazing). Zo'n woord met -heid maak je gewoonlijk alleen met een bijvoeglijk naamwoord. Ook kun je zo'n voltooid deelwoord bijvoeglijk gebruiken (een verbaasde wiskundeleraar). Alle reden dus om verbaasd in dit geval bijvoeglijk naamwoord te noemen.


Ik hoop dat met deze uitleg de stofwolken in de school zullen neerdalen en iedereen weer vol vertrouwen in het mooie vak grammatica de lessen kan voortzetten.

vrijdag 7 april 2006

Niet echt voltooid


Niet alle informatie die je op het web vindt is correct. Ook niet als de site er heel betrouwbaar uitziet. Op de site van Learn Online staat een gratis Taalgids, waar je "een uitleg van de Nederlandse spelling en grammatica" kunt vinden "met veel duidelijke voorbeelden". Dat juich ik natuurlijk toe, maar niet als die uitleg niet klopt.

Zo staat er bij de uitleg van de voltooide tijd het volgende:

"De voltooide tijd maak je met het voltooid deelwoord en het hulpwerkwoord hebben, zijn of worden. Het hulpwerkwoord is de persoonsvorm."


Afgezien van het feit dat ik dit een magere uitleg vind, klopt er ook niet heel erg veel van. Zo kun je echt geen voltooide tijd maken met het hulpwerkwoord worden. De voorbeelden die erbij staan, Mijn buurman wordt nooit ergens voor gevraagd en Op zijn zestigste wordt hij gepensioneerd zijn geen voorbeelden van een voltooide tijd, maar van een lijdende vorm.


Wie mijn log Tijden en werkwoorden heeft gelezen, kan dat eenvoudig nagaan. Zet je er de tijdsbepaling zaterdag bij (Zaterdag wordt mijn buurman ergens voor gevraagd, of Zaterdag wordt hij op zijn zestigste gepensioneerd) dan zie je heel duidelijk dat het alleen maar om aanstaande zaterdag kan gaan. Was het echt een voltooide tijd geweest (zoals in een van de andere voorbeelden Zaterdag heb ik hem opgebeld), dan had de interpretatie "afgelopen zaterdag" ook aanwezig moeten zijn. Onjuiste bewering dus. Voltooide tijd maak je alleen met hulpwerkwoord hebben of zijn.


Wat ook niet klopt is dat dat hulpwerkwoord hebben of zijn altijd persoonsvorm moet zijn. Je kunt er namelijk makkelijk nog een hulpwerkwoord bij zetten: ik zou hem zaterdag hebben opgebeld, je moet hem zaterdag hebben opgebeld. In al deze gevallen is het andere hulpwerkwoord de persoonsvorm. Je kunt dan wel van hebben en zijn de persoonsvorm maken, maar dan klopt het weer niet dat er een voltooid deelwoord bij komt te staan: ik had hem zullen opbellen, je hebt hem moeten bellen.

Helemaal fout dus.


Maar is het dan tenminste uitleg? Is het dan misschien vereenvoudigd om het beter begrijpelijk te maken? Dat zou op zich nog niet zo gek zijn. Maar dat zie ik ook niet. Want wat moet je hier nu mee, "de voltooide tijd maak je met het voltooid deelwoord"? Dan moet je toch eerst weten wat een voltooid deelwoord is, zou ik zeggen. En aangezien het de bedoeling is (zo te zien) om met deze grammaticale kennis te leren spellen is dát juist vaak het probleem. Als je wil weten hoe je Ik ben beschadigd moet spellen, moet je weten dat beschadigd daar een voltooid deelwoord is. Dat zou je wel kunnen beredeneren vanuit de voltooide tijd (of lijdende vorm), maar niet als je daarvoor eerst moet weten of het hier een voltooid deelwoord is. Met andere woorden: waartoe dient deze uitleg eigenlijk?


Ik snap dat mensen proberen om grammaticale begrippen op een eenvoudige manier uit te leggen. Maar probeer het nou niet eenvoudiger te maken dan het is. Leg gewoon uit wat een voltooide tijd is in plaats van te zeggen hoe je hem maakt.

dinsdag 4 april 2006

Tarantino in de taal



Filmregisseur is een moeilijk vak. Zelfs het voorbereiden en het opnemen van één enkele scène is al een hele klus, waarbij je aan duizendenéén dingen moet denken. Toch is dit allemaal kinderspel vergeleken bij wat je moet doen om een zinnetje te maken.

vrijdag 31 maart 2006

Maden in de zin



In de log Eten uit de vuilnisbak schreef ik over de bepalingen, dat ze de afvalbak van de ontleding vormden. De oneerlijke behandeling van de bijvoeglijke bepaling heb ik daar al besproken. Maar de bijwoordelijke bepalingen slaan alles. Misschien heb je wel eens een afvalbak gezien waar vlees- of visafval in ligt. Daar verzamelen zich in korte tijd allerlei maden in die met hun gekrioel alle aandacht trekken. Ze horen niet echt bij het afval dat je hebt weggegooid, maar ze vormen een belangrijk onderdeel van de inhoud van de bak.

Bijwoordelijke bepalingen zijn net als die maden.


Ze krioelen door de hele zin heen, ze betekenen van alles en je hebt er als spreker bijna geen controle over. Toch is het heel goed mogelijk om helemaal "schone" zinnen te maken, zonder één bijwoordelijke bepaling erin. Maar in de praktijk komen zulke schone zinnen weinig voor.

Net als bijvoeglijke bepalingen een predicaat kunnen vormen bij zelfstandige naamwoorden, zo zijn er bijwoordelijke bepalingen die predicatief zijn bij andere woorden: bij werkwoorden, bij bijvoeglijke naamwoorden bijvoorbeeld. In de zin Je moet heel hard schreeuwen is heel hard een predicaat bij schreeuwen, want het schreeuwen moet heel hard zijn (het is een soort naamwoordelijk predicaat, dat je met een koppelwerkwoord kunt uitdrukken). Omdat heel hard een predicaat is bij het werkwoord schreeuwen is heel hard een bijwoordelijke bepaling. Maar binnen die bijwoordelijke bepaling heb je het woordje heel dat de graad van hardheid aangeeft. Niet zomaar hard maar héél hard. Het woord heel vormt dus een nadere bepaling van hard, wat zelf een bijwoord is, en dus is heel ook nog eens een bijwoordelijke bepaling.


Tot zover is er nog niet veel aan de hand. Die bijwoordelijke bepalingen zijn eigenlijk hetzelfde als de bijvoeglijke bepalingen, alleen horen de bijvoeglijke bepalingen altijd bij een zelfstandig naamwoord en de bijwoordelijke horen bij een andere soort woorden. Net als bijvoeglijke bepalingen kunnen bijwoordelijke bepalingen uit één woord bestaan (zoals heel in het bovenstaande voorbeeld), of uit hele woordgroepen.


In de zin Op de hoek van de straat stond een man hard te schreeuwen is heel hard bijwoordelijk (bij schreeuwen), heel is bijwoordelijk (bij hard), maar op de hoek van de straat is ook bijwoordelijk, want het schreeuwen is blijkbaar op de hoek van de straat. En van de straat is bijvoeglijk want het is een predicaat bij hoek, een zelfstandig naamwoord.

Maar bijwoordelijke bepalingen zijn er in veel meer soorten.


Echt madengedrag vertonen de zogeheten modaalpartikels, die overal opduiken, vaak onduidelijke -maar onmisbare!- bijdragen aan de betekenis leveren, en in allerlei combinaties door elkaar heen krioelen. In de volgende zin staan er zeven achter elkaar: Kom jij nu dan toch maar eindelijk eens eventjes hier. Al die kleine woordjes nu, dan, toch, maar, eindelijk, eens, eventjes (maar ook nog, pas, al, wel, bijna) worden door ons kwistig door de conversatie heen gestrooid. Waarom? Wel, ze houden de conversatie levendig, omdat ze vaak net een klein signaaltje geven over hoe de spreker over de wereld denkt. Zeg je het regent, dan is dat een neutrale mededeling. Met een kleine made erbij (het regent nog, het regent al) heb je vrijwel dezelfde inhoud, maar je geeft aan hoe die regen zich verhoudt tot jouw verwachtingen.


Soms heb je grotere betekenisverschuivingen (zoals bij het regent wel eens, dan heb je het niet over nu, maar over de kans op regen in het algemeen), maar steeds geef je iets prijs van je eigen gedachtenwereld of gevoelens.

Mooie zinsdeeltjes! Jammer dat ze allemaal zo gewoontjes bijwoordelijke bepaling heten...

donderdag 30 maart 2006

Ben ik beschadigd?



Wat is dat nu? De taalprof betrapt op een taalfout? Ik schreef Als het beschadigt is het weg. Klopt dat wel? Moet het niet zijn: Als het beschadigd is, is het weg?

In deze reactie signaleert tom een "taalkoe" in mijn verhaal (wat een taalkoe is moet u op zijn site maar nalezen).


Ik schreef: Als het beschadigt (bijvoorbeeld bij een hersenbloeding) is het weg. In Toms taalgevoel was dit vreemd, omdat hij beschadigen alleen maar kon gebruiken in de constructie iemand beschadigt iets. Niet als Iets beschadigt. Hij zou dus hebben geschreven: Als het beschadigd is, is het weg.


In zo'n geval is het natuurlijk makkelijk om te wijzen op de naslagwerken, zoals Van Dales Groot Woordenboek, waar beschadigen als een "onovergankelijk werkwoord gewoon in voorkomt, weliswaar met de geheimzinnige toevoeging Vooral spreektaal, maar zoiets slaat elke discussie dood.


Ook kun je eenvoudigweg zeggen dat je dat zelf wel zo aanvoelt (wat ik als eerste reactie inderdaad deed), maar dan mis je ook weer de kans om iets aardigs te zeggen. Want wat is er aan de hand met dat beschadigen? Waarom komen beide varianten voor?


Het klassieke voorbeeld van dit type werkwoorden is veranderen. Iets kan veranderen, of iemand kan iets veranderen. Dat vindt iedereen acceptabel, in schrijftaal of spreektaal, formeel of informeel, dat maakt allemaal niet uit. Het kan allebei. Hoe komt dit?


Er zijn twee eigenschappen van het Nederlands die samenzweren om deze twee vormen te laten ontstaan. De eerste is dat het hulpwerkwoord van de lijdende vorm in de voltooide tijd achterwege blijft. Dat zit zo: als je zegt iemand verandert iets en je maakt daar een lijdende vorm van, dan gaat dat met het hulpwerkwoord worden: iets wordt veranderd. Het oorspronkelijke onderwerp (de veroorzaker van de verandering) blijft achterwege.


Nu kun je hier een voltooide tijd van maken, met het hulpwerkwoord zijn. Want worden kiest zijn als hulpwerkwoord van tijd (iets is geworden). Wat blijkt? Nu blijft ook het hulpwerkwoord worden achterwege: iets is veranderd. Niet iets is veranderd geworden, wat je zou verwachten maar wat nooit iemand zegt. De voltooide tijd van de lijdende vorm is dus iets is veranderd.


De tweede eigenschap die van belang is, is dat de voltooide tijd in het Nederlands met twee hulpwerkwoorden kan worden uitgedrukt. De meeste werkwoorden kiezen hebben: je hebt gegeten, gespeeld, gedanst, gewerkt, gelopen, geslapen, enzovoorts. Een paar werkwoorden kiezen zijn: je bent gearriveerd, voorbijgelopen, geslaagd, gegaan, gekomen, geschrokken.


Welke werkwoorden zijn dat, die zijn kiezen als hulpwerkwoord van de voltooide tijd? Daar bestaat enige discussie over, en ik zeg het een beetje slordig, maar het lijkt erop dat die werkwoorden allemaal een verandering van je plaats of toestand uitdrukken. Het zijn allemaal veranderingswerkwoorden.


Deze twee eigenschappen leiden ertoe dat je een vorm als ik ben veranderd op twee manieren kunt opvatten: als de voltooide tijd van de lijdende vorm, maar ook als de gewone voltooide tijd van een veranderingswerkwoord veranderen.


Nou ligt het werkwoord veranderen zelf wel heel erg voor de hand, maar hetzelfde geldt voor uitbreiden en ook voor beschadigen. Zeg je iets is uitgebreid en iets is beschadigd, dan heb je vanwege de betekenis van die twee werkwoorden (die ook een duidelijke verandering inhouden) de neiging om te concluderen dat er onovergankelijke werkwoorden uitbreiden en beschadigen aan ten grondslag liggen.

Maar is dat dan niet fout? Hm. Dat ligt er maar aan. Je past hetzelfde systeem toe dat geleid heeft tot de twee varianten van veranderen. En die vindt iedereen OK.

woensdag 29 maart 2006

Eten uit de vuilnisbak




Bepalingen zijn de afvalbak van de ontleding. Het zijn de zinsdelen die overblijven als je alle andere gehad hebt. Bepalingen bij een zelfstandig naamwoord noem je bijvoeglijk, alle andere bijwoordelijk.


Als je het zo uitgelegd krijgt, is het eigenlijk helemaal niet zo spannend. Valt er nog wel wat leuks te zeggen over bepalingen?

maandag 20 maart 2006

Kan het nog duidelijker?

In de log Grammatica, wat is dat eigenlijk? probeer ik uit te leggen wat grammatica is. Wel een beetje moeilijk, vonden sommigen. Kan het duidelijker? Vandaag kwam ik deze column tegen. Ook leuk.


donderdag 16 maart 2006

Wat je bent zeg je zelf




Vaststellen of een zin naamwoordelijk of werkwoordelijk is, dat is zo moeilijk niet (zie anders hier en hier). Een werkwoordelijk gezegde drukt altijd uit dat er iets gebeurt (dat iemand iets doet) en met een naamwoordelijk gezegde zeg je dat iets of iemand iets is. Of wordt, of blijft, of lijkt, maar dat zijn allemaal maar kleine betekenisvarianten van is.


Maar als je dan bijvoorbeeld hebt vastgesteld dat iemand iets is, wat is hij of zij dan? Dat wordt uitgedrukt in het naamwoordelijk deel van het gezegde.



Wat kun je allemaal zijn? Nou van alles. Iets, bijvoorbeeld (ik ben iets), of iemand (ik ben iemand). Maar meestal gebruik je daar wat minder vage woorden voor. Bijvoeglijke naamwoorden bijvoorbeeld: ik ben blij, ik ben dronken. Al dan niet voorzien van allerlei toevoegingen: ik ben heel erg boos op jou. Die hele woordgroep is eigenlijk alleen maar het woordje boos met een aantal preciseringen.

Niet alle bijvoeglijke naamwoorden kun je gebruiken als naamwoordelijk deel. Een woord als houten, ijzeren of plastic kunnen niet: *deze kast is houten, dat kan niet in het Nederlands. Bedenk dat niemand dit verzonnen heeft. Er is ook geen directe reden voor, maar blijkbaar hebben we daar met zijn allen iets tegen. In andere talen kan het heel goed (bijvoorbeeld in het Engels: the cabinet is wooden, niks mis mee).


Ook zelfstandige naamwoorden kunnen prima als naamwoordelijk deel optreden: zij is dokter. En ook hier weer talloze mogelijkheden tot uitbreiding: zij is een dokter, zij is de dokter, zij is die aardige dokter van mijn opa. In de laatste twee gevallen gaat het trouwens niet meer over wat zij is, maar over wie zij is. Dat maakt het een beetje onduidelijk over wat nu precies bedoeld wordt: is deze vrouw de dokter, of is de dokter deze vrouw? Is de zin een antwoord op de vraag Wie is zij? of Wie is de dokter?. Vandaar dat je in deze gevallen vaak het onderwerp en het naamwoordelijk deel kunt verwisselen.

Als het naamwoordelijk deel uitdrukt wat zij is (zij is dokter), dan heeft het zelfstandig naamwoord eerder iets bijvoeglijks. Het hoeft niet zonodig in het meervoud te staan bij een meervoudig onderwerp bijvoorbeeld. Je kunt net zo goed zeggen Wij zijn dokter als Wij zijn dokters. Over het betekenisverschil kun je hele boeken schrijven, maar de ontleding is hetzelfde.


Behalve bijvoeglijke en zelfstandige naamwoorden (en hun toevoegingen), kan een naamwoordelijk deel ook een uitdrukking met een voorzetsel zijn: in de war, op de hoogte, van belang, in staat, ook weer eventueel voorzien van toevoegingen. Ook dat kun je allemaal zijn.


Sommige uitdrukkingen met een werkwoord zijn ook naamwoordelijk deel: als ik ben aan het werk naamwoordelijk is, dan is ik ben aan het werken dat natuurlijk ook. De aan-het-constructie is typisch Nederlands, en het heeft allemaal wel iets werkwoordelijks, maar toch, aan het werken, dat ben je. Niet dat doe je. Naamwoordelijk dus.


Ook de constructie met te+werkwoord wordt vaak als naamwoordelijk deel gebruikt. Ik ben te overtuigen. Helemaal naamwoordelijk, kijk maar: te overtuigen, dat ben ik, niet dat doe ik, of dat doet iemand anders. De betekenis van die constructie is trouwens wel aardig. Want wat betekent dat, ik ben te overtuigen? Dat betekent dat het mogelijk is (dat is de toevoeging van een modaal betekenisaspect) dat iemand mij overtuigt (hier wordt het perspectief verschoven als in een lijdende vorm).


Is het dat? Nou, er zijn nog wat losse mogelijkheden. Er zijn een paar bijwoorden die als naamwoordelijk deel kunnen worden gebruikt: ik ben weg, ik ben terug, ik ben uit, mijn huiswerk is af, het eten is op. Sommige van deze bijwoorden zijn afgeleid van voorzetsels, maar niet allemaal.

Wat is hier dan eigenlijk moeilijk aan? Nou, dit niet in ieder geval. Wel is het soms lastig om te bepalen wat nou toevoegingen bij het naamwoordelijk deel zijn, en wat afzonderlijke zinsdelen zijn. Daarover een andere keer.



dinsdag 14 maart 2006

Begin- en eindtijden



In deze log heb ik uitgelegd dat het Nederlandse systeem van werkwoordstijden eigenlijk heel eenvoudig is: je hebt een neutrale vorm (bijvoorbeeld Het regent) en een verleden tijd (Het regende). Je hebt geen andere mogelijkheden om het werkwoord een andere vorm te geven om een verschil in tijd uit te drukken.


Andere talen (zoals het Latijn) hebben meer mogelijkheden: die hebben ook een vorm voor de toekomende tijd, voor gebeurtenissen die per se in de toekomst plaatshebben. In het Nederlands heb je daar aparte woorden voor nodig. Bepalingen (Het regent morgen) of hulpwerkwoorden (Het gaat regenen of Het zal regenen).

Maar in grammaticaboekjes zie je bij de Nederlandse werkwoordstijden altijd veel meer mogelijkheden staan: bijvoorbeeld voltooide tijd. Wat is dat dan?


Om goed te kunnen begrijpen hoe je tijd in taal uitdrukt, moet je eigenlijk eerst dit weten: als je iets vertelt over een gebeurtenis, dan zijn daar twee dingen bij van belang. Allereerst de plaats van deze gebeurtenis in de tijd. Dat wil zeggen: vindt de gebeurtenis plaats vóór, op, of na het moment dat je het vertelt. Dat is het onderscheid verleden, heden of toekomst. En ten tweede, de grenzen van die gebeurtenis: gaat het over het begin of het einde van een gebeurtenis, of iets daartussenin.


De plaats van de gebeurtenis is het tempussysteem, wat je zegt over begin of einde heet het aspect (de Duitsers spreken van Aktionsart).

Deze onderscheidingen hebben niets te maken met het Nederlands, dat zijn gewoon de logische mogelijkheden die je hebt om iets over een gebeurtenis te zeggen.

Als je het over regen hebt, dan vindt er op een gegeven moment een overgang plaats van droog naar nat (het begin van de regen), dan blijft het een tijdje nat (de regen) en op een later moment heb je weer een overgang van nat naar droog (het einde van de regen). Over de plaats van die drie momenten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van een andere moment (bijvoorbeeld de tijd waarop je het zegt) kun je iets zeggen. Meer mogelijkheden heb je eenvoudigweg niet.


In het Nederlands bestaat de mogelijkheid om een voltooid aspect uit te drukken. Dat betekent dat je zegt dat een gebeurtenis afgelopen (voltooid) is. Anders geformuleerd: het einde van de gebeurtenis vindt plaats vóór een bepaald moment. Als je zegt Het heeft geregend dan is de regen opgehouden ergens vóórdat je het zegt. Zeg je Het heeft volgende week (zeker) geregend, dan druk je uit dat het einde van de regen plaatsvindt vóór het moment dat uitgedrukt wordt door de woordgroep volgende week.


Een combinatie van aspect en tempus levert zo vier mogelijkheden op: voltooide tijd of niet, verleden tijd of niet. Zo krijg je voltooid verleden tijd, onvoltooid verleden tijd, voltooid tegenwoordige tijd en onvoltooid tegenwoordige tijd. Het laatste is het eenvoudigste: dan heb je geen voltooide tijd en geen verleden tijd (het regent). Dan zeg je dus bijna niets over de tijd.


Het meest ingewikkeld is voltooid verleden tijd. Dat is de vorm Het had geregend, in een duidelijker voorbeeld Het had gisteren al lang geregeld. Nu heb je én verleden tijd (op had), én voltooide tijd (geregend). Dat levert een eigenaardig effect op, dat de moeite waard is om even over na te denken.


De verleden tijd zegt dat de gebeurtenis plaats heeft vóór het moment van spreken. De voltooide tijd zegt dat de gebeurtenis afgelopen is vóór een bepaald moment. Blijkbaar kan dat niet twee keer hetzelfde moment zijn. Blijkbaar richt de voltooide tijd zich nu op een ander moment (in deze zin gisteren), omdat het moment van spreken al "bezet" is door de verleden tijd! De zin drukt uit dat de regen vóór gisteren afgelopen is.


Dat is interessant. En ik merk nog maar eens op dat niemand dit ooit verzonnen heeft. Zo werkt de taal, ook als je niets van grammatica weet. Erg subtiel, maar iedereen voelt het feilloos aan. Ik vind het iedere keer weer prachtig om te zien.