"Interessant stukje eergisteren, taalprof, maar die eerste zin…"
"Wat was daarmee?"
"Daar schrijf je de bijzin …al hoe grote stofwolken daar ook vandaan komen. Staat daar geen al te veel?"
"Hmm, nou je het zegt. De zin klinkt me op het eerste gehoor prima in de oren, maar dat al staat daar wel vreemd."
"Ik ken dat gebruik niet, dat al hoe achter elkaar."
"Het moet het versterkende bijwoord al zijn, dat ook de oorsprong vormt van het voegwoord alhoewel."
"Ik zou het gewoon vermijden, door iets te schrijven als …welke grote stofwolken daar ook vandaan komen."
"Ja, dat kan wel, je zou ook het woordje al gewoon
weg kunnen laten, maar ik zit nu al in de academische modus, waarin ik
mij afvraag hoe het in elkaar zit en of het werkelijk tot de taal
behoort."
"Nou ja, pieker er niet te lang over zou ik zeggen."
"Ja wacht even, ik google toch even… Hmmm, het komt extreem weinig voor, heb ik de indruk. Maar wacht eens, je hebt toch ook Al wat ik ook doe, dat kan toch ook?"
"Dat kan wel, maar is dat dan niet kortweg voor alles wat?"
"Dat geloof ik niet. Je hebt Al wat ik doe is tevergeefs, waar de klemtoon op Al valt, en al wat ik ook doe, het is toch allemaal tevergeefs, waar de klemtoon op wat valt. En in die tweede zin kun je Al niet vervangen door alles."
"Nee dat is waar."
"En heb je ook niet Al wie ik het ook vraag, niemand weet dit? Daar kun je al helemaal niet uitgaan van alles wie."
"Maar daar heb je wel diezelfde twee varianten: Al wie het weet mag het zeggen tegenover Al wie het ook weet, het is toch te laat."
"Daar
heb jij weer gelijk in. Toch vreemd dat het allemaal zo weinig
voorkomt. Als ik zou willen argumenteren dat het niet tot de taal
behoort zou ik dat wel opmerken. Een handjevol vindplaatsen in zo'n
groot corpus is eigenlijk niks."
"Is het geen contaminatie?"
"Ja, dat zou kunnen. Maar het gekke is dat het dan gecontamineerd is uit Wat je ook doet en Al doe je ook dat, wat
twee zinnen zijn met een compleet andere zinsvolgorde. Maar wacht eens,
ik zoek het even op in de geschiedenis van de Nederlandse syntaxis van
Van der Horst."
"…"
"Kijk, hier staat het: Van der Horst spreekt over het voegwoord alhoe, dat vóór de zestiende eeuw is ontstaan uit het toevoegen van het versterkende bijwoord al aan het voegwoord hoe, uiteindelijk leidend tot alhoewel."
"Je taalgevoel is dus eigenlijk middelnederlands."
"Ja,
blijkbaar klinkt er in het taalgevoel van de taalprof nog een echo uit
het verleden, uit de tijd dat je het versterkende bijwoord al bij een toegevende bijzin kon zetten. Want zo'n zin als Al hoe je het ook bekijkt bevat
een duidelijke toegeving: je kunt het op verschillende manieren
bekijken, maar op welke manieren je het ook doet, en dan volgt de rest
van de zin."
"Toch is het mij totaal vreemd. En ik heb het net aan
een collega voorgelegd, die net als ik Vlaming is, en die kent het ook
niet. Zou het een Nederlands-Vlaams verschil zijn?"
"Zou kunnen, maar
het lijkt mij onwaarschijnlijk. Ik vrees eerder dat het sterk regionaal
is. Het komt gewoon te weinig voor. Weet je wat? Ik schrijf er een
logje over en kijk eens of de lezers reageren. Misschien dat er iemand
over de goed-foutkwestie heen kan stappen en bedenken of deze
gebruikswijze een basis in de realiteit heeft."
Posts tonen met het label Voegwoord. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voegwoord. Alle posts tonen
zondag 22 mei 2011
donderdag 17 juni 2010
Voor de taalfreak



Op de website van de digitale school staat een pagina met uitleg over taalkundige ontleding. Nou ja, uitleg, het betreft toch weer vooral ezelsbruggetjes, vuistregels en voorbeelden, maar in zijn soort een uitgebreide pagina. Daarom is het zo sneu om er toch kritiek op te leveren. Maar ja, bekritiseren doe je alleen dingen die je serieus neemt, denk ik dan maar. En daarbij komt: de taalprof bekritiseert alleen de passage waar boven staat: Voor de taalfreak. Want een taalfreak, ja dat is de taalprof wel.
zondag 4 oktober 2009
Voorzetsels en voegwoorden




Het lijkt wel een beetje stilletjes op het taalprof-weblog, maar de vragen en discussies gaan gestaag door. De afgelopen dagen ontstonden er twee verschillende discussies, die op een verrassende manier samenhangen. Eerst merkte Ton op dat het voegwoord al in de zin al heb ik een euro, ik koop toch geen ijsje niet als een voegwoord maar als een bijwoord gezien moet worden, en vervolgens stelt Henk voor om als in verkleed gaan als Sinterklaas een voorzetsel te noemen. Zij dragen daar argumenten voor aan, maar de discussie roept de vraag op: wat is hier eigenlijk aan de hand? Wat is eigenlijk het verschil tussen voegwoord en voorzetsel? Wanneer noem je iets voegwoord, wanneer voorzetsel (en wanneer bijwoord)?
zondag 11 januari 2009
Taalprof ontleedt verder


In het bericht van gisteren kwam de taalprof er niet helemaal uit, waarom je nou als kon weglaten in een zinnetje als De taalprof ontleedt zo goed (als) hij kan. De hele nacht lag hij te woelen en te zweten, en vanmorgen, in een discussie met een lezer, kreeg hij ineens een idee. In het antwoord aan de lezer gaf hij het al weg, maar het is eigenlijk wel een apart berichtje waard.
vrijdag 23 februari 2007
Vrijdag van het Voegwoord verloopt zonder incidenten

De Vrijdag van het Voegwoord verloopt tot nu toe in het hele land zonder incidenten. De meeste problemen werden verwacht bij de traditionele Voegwoordenparade in Amsterdam, waar een bonte stoet van kleurrijke, meest onderschikkende voegwoorden door de grachten trok, met verbazing gadegeslagen door de buitenlandse toeristen. Voegwoorden als hoewel, ofschoon, terwijl en aangezien stalen de show, maar ook de "gewonere" voegwoorden zodat, nadat, voordat en als deden dapper mee, evenals de onafscheidelijke omdat en doordat.
In Den Haag onstond enige opschudding bij een demonstratie van boze bijwoorden aan het Lange Voorhout, waar het bijwoord bovendien een petitie aanbood aan de algemeen secretaris van de Taalunie, Linde van den Bosch.
woensdag 21 februari 2007
Het voegwoord doet weer eens niet mee


Na de Maand van de Bepaling van Gesteldheid (december 2006) is het nu tijd om aandacht aan het Voegwoord te besteden. Vandaag is het de Internationale Dag van de Moedertaal, dus het wordt even passen en meten of we nog ergens een gaatje kunnen vinden, maar misschien kunnen we aanstaande vrijdag als de Vrijdag van het Voegwoord uitroepen.
Waarom het voegwoord?
woensdag 6 september 2006
Dit is maar een kleinigheid

Gisteren surfte er iemand naar het taalprof-weblog vanuit de zoekmachine google met de zoektermen maar en woordsoort. Hoe weet ik dat? Ja, dat wordt allemaal bijgehouden en dat staat ter beschikking van de weblogbeheerder.
Blijkbaar wilde er dus iemand weten wat de woordsoort is van het woordje maar. Nou kun je dat in een gewoon woordenboek best vinden, maar dan krijg je drie mogelijkheden: het kan een zelfstandig naamwoord zijn, in een paar verouderde of bijzondere gebruikswijzen (zoals in de betekenis "nachtmerrie" of in zogeheten zelfnoemfunctie: Er is één maar), een tegenstellend voegwoord, zoals Van Dale het noemt (ik zou zeggen: een nevenschikkend voegwoord), of een bijwoord van modaliteit.
Die bijwoorden van modaliteit, dat zijn die modaalpartikels die ik hier bespreek (maar wordt daar zelfs genoemd in een van de voorbeeldjes). Voegwoorden, daar heeft de taalprof nog niets over uitgelegd. Maar wat nevenschikkende voegwoorden zijn in een paar woorden uitgelegd: dat zijn woordjes die gelijke zinsdelen verbinden. De meest gebruikte voegwoorden zijn en en of (ik moet er zelfs eentje gebruiken om ze allebei te noemen). Ze kunnen hele zinnen verbinden (het regent maar de zon schijnt, het regent want het is bewolkt) maar ook zinsdelen (bijvoorbeeld zonnig maar koud; niet alle voegwoorden "doen dit" even makkelijk, warm want zonnig klinkt een beetje gek).
Waarom noemt Van Dale dit voegwoord tegenstellend? Zeer waarschijnlijk vanwege de tegenstellende betekenis. De taalprof beveelt hier aan: nevenschikkend voegwoord, desnoods met de toevoeging met tegenstellende betekenis. Maar als we zo beginnen is het eind zoek.
Is dit leuk? Nou ja, leuk, leuk. Ik moet bij die nevenschikkende voegwoorden altijd denken aan de allesvrezer (een typetje van Kees van Kooten), die al zijn beweringen begon met de half haastig en toch nadrukkelijk uitgesproken woorden En! Maar! Want! en dan ging het verder. Allemaal nevenschikkende voegwoorden, die aan het begin van een zin de indruk moeten geven dat het volgende een logisch vervolg is op het voorafgaande. Het voegwoord verbindt dan de volgende zin aan een leeg voorafgaande, wat een potsierlijke indruk maakt. Je weet pas waarom het leuk is als je snapt wat nevenschikkende voegwoorden doen.
Abonneren op:
Posts (Atom)