donderdag 6 november 2008

Goede raad kost duur



Naar aanleiding van een lezersvraag gisteren herinnerde de taalprof zich een oudere discussie (zie punt 4 in de link, en de voorgaande discussie), over de zin Hoeveel kost die auto? Die discussie zat een beetje verborgen in de vragenrubriek van deze site, maar hij is eigenlijk best een aparte bespreking waard.

Daarom nu: Hoeveel kost die auto? en wat is dan Hoeveel?

In de zin Hoeveel kost die auto? is kost de persoonsvorm en die auto is onderwerp, zoveel is duidelijk. Maar dan blijft er nog een zinsdeel over. Voor dat zinsdeel komen redelijkerwijs drie ontledingen in aanmerking.

Het meest voor de hand ligt om te denken dat hoeveel het lijdend voorwerp bij kosten is. Dat sluit aan bij je taalgevoel dat hoeveel sterk verbonden is met het werkwoord en nauwelijks weggelaten kan worden. Een probleem is wel dat geen van de bekende eigenschappen van een lijdend voorwerp toepasbaar zijn: zo heb je hier geen lijdende vorm (Hoeveel wordt door die auto gekost? is geen goede zin), en bij de zogeheten "nominalisatie" van het werkwoord verschijnt het zinsdeel niet met het voorzetsel van (het is niet Het kosten van zoveel).

Een andere gedachte zou kunnen zijn om hoeveel te beschouwen als een bijwoordelijke bepaling. Dat zou je kunnen denken op grond van de betekenis: je zou het kunnen zien als een bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid. Daarvan is weer het probleem dat die bepaling niet echt weglaatbaar is. Bijwoordelijke bepalingen zijn doorgaans zinsdelen die vrij toegevoegd of weggelaten kunnen worden.

En ten slotte zou je kunnen overwegen om hoeveel een naamwoordelijk deel van het gezegde te noemen. Dat lijkt misschien een beetje vreemd, maar in spreektaal is vervanging van kosten door zijn niet ongebruikelijk: hoeveel is die auto? Die variant zou je vrijwel zeker als naamwoordelijk moeten ontleden (of je zou zijn moeten beschouwen als een zelfstandig werkwoord met de betekenis "kosten," wat op zijn best lood om oud ijzer is).

De enige grammatica die bij mijn weten deze constructie heel expliciet aan de orde stelt is de Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een volledig overzicht, van W.G. Klooster. En wat kiest Klooster? Ehh, nou ja, niks eigenlijk.

Klooster introduceert een aparte term voor dit geval. Hij noemt hoeveel in hoeveel kost die auto? een "pseudo-voorwerp." Daarmee geeft hij aan dat het zinsdeel iets heeft van een voorwerp, erop lijkt, maar het aan de andere kant ook weer niet is. Tegelijkertijd noemt hij werkwoorden als kosten, meten en tellen "semi-koppelwerkwoorden," aldus erkennend dat die werkwoorden iets hebben van koppelwerkwoorden, maar het aan de andere kant ook weer niet helemaal zijn. Verder omschrijft Klooster het zojuist tot pseudovoorwerp gedoopte zinsdeel ook nog eens als "specificerend complement," waarmee het aantal voor dit geval geïntroduceerde termen op drie uitkomt. Ten slotte vermeldt hij nog dat "in sommige grammatica's" het zinsdeel als bijwoordelijke bepaling van hoeveelheid geanalyseerd wordt.

Kloosters analyse is een schoolvoorbeeld van een zorgvuldige, taalwetenschappelijk verantwoorde beschrijving, die recht probeert te doen aan alle aspecten van de constructie. De unieke eigenschappen onderscheiden de constructie van alle andere, dus een aparte term is noodzakelijk.

De taalprof vraagt zich af of met de introductie van drie nieuwe termen de oude niet te gemakkelijk terzijde zijn geschoven. Inderdaad, er zijn goede argumenten om het zinsdeel geen lijdend voorwerp te noemen, en ook de bijwoordelijke bepaling is om bovengenoemde redenen een twijfelachtige benoeming. Maar wat is er eigenlijk mis met de analyse als naamwoordelijk gezegde?

Zeker, je kunt aanvoeren dat kosten niet in het rijtje van koppelwerkwoorden staat. Maar daar zijn meer gevallen van bekend. Zo staat raken ook niet in het lijstje (die had er wel in moeten staan), maar ook vallen in de constructie dat valt mij zwaar, gaan in dat gaat kapot, slaan in het bier slaat dood, komen in dat komt wel goed, zitten in hij zit om geld verlegen, en er zijn er meer. Al die werkwoorden hebben een betekenis die ongeveer overeenkomt met de klassieke koppelwerkwoorden zijn of worden, en ze komen in die betekenis voor in combinatie met een zinsdeel dat een predicatie vormt bij het onderwerp.  Ze worden "vervangende koppelwerkwoorden" genoemd. Waarom zou je kosten, meten en tellen ook niet gewoon vervangend koppelwerkwoord noemen? Klooster kiest voor semi-koppelwerkwoord, maar hij zegt er niet bij wat het verschil zou moeten zou moeten zijn tussen semi-koppelwerkwoord en vervangend koppelwerkwoord.

De analyse van Hoeveel kost die auto? als naamwoordelijk gezegde verklaart waarom er geen lijdende vorm bestaat, waarom bij nominalisatie van het werkwoord geen bepaling met van verschijnt, en waarom het zinsdeel hoeveel niet kan worden weggelaten. Bovendien verantwoordt die ontleding de betekenis die ruwweg overeenkomt met "zijn," én het optreden van de spreektaalvormen Hoeveel is die auto?

En als bonus geeft deze analyse ook nog eens een verklaring voor het optreden van de als fout aangemerkte vorm Deze auto kost duur. Vervang in die zin kosten door zijn en je hebt een prima zin. Blijkbaar beschouwt de taalgebruiker kosten inderdaad als een variant op het koppelwerkwoord zijn. Dat zou de grammatica toch moeten beschrijven, zou je denken.

6 opmerkingen:

  1. Ha, Taalprof.
    Ik ben er eigenlijk wel voor om "in mei" als bijwoordelijke bepaling van tijd te beschouwen in plaats van als één van plaats. Maar er is wat voor te zeggen om alle vier de dimensies van de tijd-ruimte op één lijn te stellen.
    Mvg -- JKB

    BeantwoordenVerwijderen
  2. @Jaap K. Blom: ja natuurlijk. Je hebt helemaal gelijk.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Nu zal mijn reactie misschien niet de juiste zijn, wellicht heb ik de probleemstelling niet meegekregen, maar ik reageer toch. 'Hoeveel kost die auto' doet namelijk pijn aan mijn ogen en voorgelezen mogelijk ook pijn aan mijn oren. Het ontleden van constructies met een hoog onzingehalte lijkt mij voor iemand die ook maar enigzins compos mentis is niet geheel aan de orde, om het maar eens voorzichtig te zeggen. De vraag 'hoeveel die auto kost' is een vraag die tot niets leidt en behalve in een oudejaarsconference als onnut kan worden bestempeld. Wat kost die auto is veel concreter. Dat kunnen ook doden zijn of kauwgomballen, maar euriae (v/h piek) lijkt voor de hand liggend. Helemaal correct is natuurlijk 'wat is de prijs van die auto', dat is namelijk wat er voor neer moet worden gelegd, al kunnen dat natuurlijk behalve dukaten ook kamelen dan wel maagdelijke vrouwen zijn. De vraag 'wat is de prijs van die auto' is eenduidig. Al zou je natuurlijk ook een antwoord kunnen geven met daarin verwerkt de hoogte v

    BeantwoordenVerwijderen
  4. @Jurriaan Nijkerk: ik ken geen taaladviesbronnen of spraakkunsten die bezwaar maken tegen de zin 'Hoeveel kost die auto?' Ik zie ook in jouw reactie geen redenen aangevoerd om daar iets op tegen te hebben. Het feit dat er alternatieven bestaan is natuurlijk van geen enkele betekenis.
    Daarnaast heb ik de indruk dat de problematiek van de ontleding niet wezenlijk verandert als je 'hoeveel' vervangt door 'wat'.
    En ten slotte, met betrekking tot de eenduidigheid van 'Wat is de prijs van die auto?': welk zinsdeel daarin is volgens jou onderwerp?

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Als je het als een niet-inherente bijwoordelijke bepaling (van hoeveelheid was het in dat geval, zei je, denk ik) beschouwt, krijg je een monovalent werkwoord, wat ook niet passiveerbaar is
    Dat het Duits, en naar ik aanneem ook ouder Nederlands, een derde naamval gebruiken levert ons ook een, synchroon nogal zwak maar toch, argument op tegen de gezegde-theorie:
    Es kostet einen Euro
    Hij kost eenen euro(?)

    BeantwoordenVerwijderen
  6. @Johan Bjurstam: Ja, ik snap het (ik neem trouwens aan dat je vierde naamval bedoelt). Maar zoals je zelf al aangeeft is een historisch argument of een argument uit een andere taal slechts een zwak argument in de hedendaagse ontleding. Bovendien is het probleem met jouw twee opmerkingen dat ze weliswaar valide zijn, maar strijdig. Want je eerste opmerking pleit voor de bijwoordelijke analyse en de tweede voor de voorwerpsanalyse (of zie ik dat verkeerd?)
    Mijn voornaamste punt in het hedendaagse Nederlands lijkt me het voorkomen van ondubbelzinnig naamwoordelijke constructies als 'die vaas is 100 euro,' 'die vaas wordt 100 euro,' en 'die vaas blijft 100 euro.' Mijns inziens zit er nauwelijks betekenisverschil tussen 'kosten' en 'zijn' in deze constructie. Ik neem aan (maar dat heb ik niet gecheckt) dat die "echte" naamwoordelijke variant een betrekkelijk recente ontwikkeling zijn, dus dan zou ik argumenteren dat de constructie met 'kosten' zich tot een naamwoordelijke ontwikkeld heeft.

    BeantwoordenVerwijderen