zondag 18 juli 2010

Alles over het naamwoordelijk gezegde

 — 

Het naamwoordelijk gezegde is hartstikke makkelijk. Vergeet dat gekke rijtje met koppelwerkwoorden, vergeet de term "naamwoord," het verschil tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde is alleen maar het verschil tussen doen en zijn. Werkwoordelijk is wat je doet, en naamwoordelijk is wat je bent. Iets is gemakkelijk (dat is zijn) of iets klopt niet (dat is doen). Meer is het niet.

Let op: dit is géén ezelsbruggetje. Een ezelsbruggetje is een trucje om iets beter te kunnen onthouden. Maar het verschil tussen doen en zijn is écht het verschil tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde.

Waarom moet je nu nog eens goed nadenken? Wel, soms líjkt iets doen, maar ís het eigenlijk zijn. Of andersom. En soms kun je het niet eens goed beslissen.

Het is allereerst belangrijk dat je de gevallen herkent waarbij je nog eens goed moet nadenken. Hierbeneden staan ze allemaal, van makkelijk naar moeilijk:


Worden, raken en blijven
Bij worden of raken heb je snel de neiging om te zeggen: dat is doen. Boos worden dat doe je, in de war raken dat doe je ook. Dat klopt, maar als je er goed over nadenkt zie je dat een zin als ik word boos toch iets van zijn heeft. Want als je boos wordt, dan ben je straks boos. En als je in de war raakt, dan ben je straks in de war. In deze gevallen is er als het ware een zijn-betekenis verstopt in de woorden worden en raken.

Bij boos blijven zie je hetzelfde. Boos blijven, dat doe je wel, maar als je boos blijft, dan ben je boos en je houdt daar niet mee op. Ook in blijven zit dus zijn verborgen.

Eigenlijk zitten in worden, raken en blijven zowel zijn als doen verborgen. Als je boos blijft dan ben je boos daar houd je niet mee op. Dat niet ophouden, dat is eigenlijk doen. Maar het belangrijkste is zijn. Waarom? Als je alle werkwoorden weglaat, is de betekenis tussen onderwerp en boos een zijn-betekenis.




Lijken, blijken, schijnen
Boos lijken, makkelijk blijken, leuk schijnen, dat zijn allemaal gevallen waar je zou denken dat het om doen gaat. Boos lijken, dat doe je, zou je zeggen. Maar ook hier gaat het meer om zijn dan om doen. Als je boos lijkt, dan ben je boos, althans zo lijkt het. Je ziet het weer als je alle werkwoorden weglaat. Dit antwoord lijkt fout, laat het werkwoord weg en je krijgt: Dit antwoord fout. Hee, dat is een zijn-betekenis!

De drie gevallen lijken, blijken, schijnen zijn in twee opzichten anders dan worden, raken en blijven. Ten eerste de betekenis. Bij lijken, blijken, schijnen gaat het altijd om een mening. Als je zegt Zij lijkt boos, dan druk je uit wat jouw inschatting is van haar gemoedstoestand: zij is boos, maar dan volgens jou. Zeg je zij schijnt boos, dan zeg je dat anderen denken dat ze boos is. Dan gaat het om de mening van anderen. En bij Zij blijkt boos heb je het erover dat je eerst van mening was dat ze niet boos was, maar dat je nu ziet dat ze wel boos is. Dan gaat het dus over een mening in het verleden. De officiële term hiervoor is modaliteit. Modaliteit gaat over wat mensen vinden (denken of willen). Lijken, blijken en schijnen voegen een bepaalde modaliteit toe aan de zijn-betekenis.

Een tweede opzicht waarin lijken, blijken, schijnen anders zijn dan worden, raken, blijven is dat je er zijn bij kunt zetten: in plaats van Zij lijkt boos kun je ook zeggen Zij lijkt boos te zijn. In de eerste zin is lijken een combinatie van zijn en die modaliteit, in de tweede zin zit de zijn-betekenis in zijn, en lijken is alleen (hulpwerkwoord van) modaliteit.



Zijn met een plaats
In de zin Hij is op het dak is je eerste gedachte: dat is een zijn-betekenis. Dat klopt ook wel, maar er is toch iets eigenaardigs aan de hand. Want als hij op het dak is, dan zeg je niet dat hij iets is, maar dat hij ergens is. Het gaat dus niet om wat hij is, maar om waar hij is. En het naamwoordelijk gezegde gaat om wat je bent.

Maar is het dan werkwoordelijk? Want dat gaat om wat je doet. En op het dak zijn, is dat iets wat je doet? Ja eigenlijk wel! Want zijn betekent hier zoveel als zich bevinden. En je op het dak bevinden, dat doe je.

Je kunt het goed zien aan het verschil tussen Hij is op het dak en Hij is op de hoogte. Op het dak, daar is hij, en op de hoogte, dat is hij. Het verschil tussen die twee zinnen is dus niet alleen de figuurlijke betekenis van op de hoogte, maar ook dat op de hoogte zijn iets zegt over wat je bent.




Worden met een voltooid deelwoord
Nu komen we bij de gevallen van twee keer doordenken. Boven zagen we dat je bij zinnen met worden eerst denkt aan een doen-betekenis, en dan na doordenken kunt besluiten tot een zijn-betekenis. Zij wordt boos lijkt eerst doen, en als je nadenkt realiseer je je dat het eigenlijk toch zijn is. Maar nu gevallen als Zij wordt gebeld.


Zij wordt gebeld, is dat een zijn- of een doen-betekenis? Je zou dezelfde redenering kunnen ophangen als boven: als zij gebeld wordt, dan zal zij straks gebeld zijn. Dus zijn-betekenis? Ja wacht even. Want hier is iets anders aan de hand.

Zij wordt gebeld is namelijk de lijdende vorm van Iemand belt haar. Als je zegt dat zij gebeld wordt, dan zeg je tegelijkertijd dat iemand haar belt. En dat is weer een doen-betekenis.

Hier moet je echt dieper over nadenken. Maar hoe moet dat? Wel, denk altijd vanuit het basisprincipe: het naamwoordelijk gezegde is wat je bent. Vraag je dus af: als zij gebeld wordt, gaat dat dan om iets wat zij is, of straks zal zijn? Of gaat het meer om wat iemand gedaan heeft (haar bellen)? Dan zul je in dit geval makkelijk besluiten tot het laatste. Zij wordt gebeld is dus toch werkwoordelijk.

Er zijn ook gevallen waar je tot het eerste zult besluiten. Neem bijvoorbeeld Ik word steeds meer geïrriteerd. Gaat dit om iets wat ik ben (of straks zal zijn), of wat iets met mij doet (iets irriteert mij)? Dat zou allebei best kunnen, voor allebei is wel iets te zeggen. Maar toch lijkt het er meer op dat het gaat om iets wat ik straks zal zijn (namelijk geïrriteerd). Geïrriteerd heeft hier bijna de betekenis van boos.



Zijn met een voltooid deelwoord
Het moeilijkste geval van het naamwoordelijk gezegde is zijn met een voltooid deelwoord. Zij is gekust, gaat dat om iets wat zij is, of om iets wat iemand met haar gedaan heeft (haar kussen)? Misschien zeg je hier het laatste. Maar hoe zit het dan met Zij is verbaasd? Gaat dat om iets wat zij is, of om wat iets met haar gedaan heeft (iets verbaast haar)? Kan allebei, maar hier heb je misschien meer de neiging om het eerste te zeggen.

Bijna altijd kun je over deze gevallen twisten. Er is bijna nooit een keiharde conclusie te trekken. Er zijn wel een paar factoren die je beslissing kunnen beïnvloeden: als er een duurbepaling bij staan (of als je die erbij kunt denken), dan gaat het meer over wat zij is. In de zin Zij is al dagen verbaasd gaat het zeker om wat zij is. Daarom klinkt Zij is al dagen gekust een beetje raar. Dan denk je meteen aan een of andere toestand, "gekust-zijn," die een speciale betekenis heeft. Bijvoorbeeld dat gekuste meisjes een andere groep vormen dan ongekuste meisjes.

Een andere factor is het voorkomen van een door-bepaling. Dat trekt de betekenis weer meer in de richting van doen. Bij Zij is door haar vriendje gekust gaat het echt om wat dat vriendje gedaan heeft. En Zij is door het onweer verbaasd klinkt weer een beetje gek. Dan gaat het echt om de lijdende vorm van Het onweer verbaasde haar. Dan denk je meer aan een betekenis als verrast.

Een ander verschil tussen die naamwoordelijke en werkwoordelijke betekenis bij de gevallen van zijn met voltooid deelwoord is de tijd. Het naamwoordelijke Wij zijn getrouwd is een tegenwoordige tijd ("Wij zijn echtgenoten"), maar het werkwoordelijke Wij zijn getrouwd is een voltooide tijd ("Onze bruiloft heeft plaatsgehad").



Speciale gevallen
Er zijn een paar speciale gevallen die vooral populair zijn in ontleedoefeningen, om je in verwarring te brengen (de gedachte zou moeten zijn dat verwarring tot begrijpen leidt, maar dat is helaas vaak niet het geval). Ook hier gaat het steeds alleen maar om de basisgedachte (zijn of doen), maar het helpt wel als je die gevallen herkent. Ik som ze hieronder allemaal op:
  • zijn in de betekenis bestaan: vooral in zinnen als Er is iemand die lacht of Er zijn mensen die dit niet snappen. Het gaat hier niet om wat iemand is of wat die mensen zijn, maar om dat er iemand is, en dat er mensen zijn. Eigenlijk is dat er een vorm van daar. Het gaat dus om een speciale vorm van zijn met plaatsbepaling ("bestaan" is hetzelfde als "hier op deze wereld zijn");
  • raken in de betekenis ontroeren of niet missen: in Dit raakt mij betekent raken ontroeren, en het gaat dus om wat dit met mij doet (niet om wat het is). En ook in Robin Hood raakte het doel gaat het om wat Robin Hood doet, niet om wat hij is;
  • lijken op: zie het verschil tussen Hij lijkt een clown en Hij lijkt op een clown. Het eerste is zijn, het tweede is doen. Hoe zit dat? Als je het werkwoord weglaat krijg je in het eerste geval Hij een clown (dat is een zijn-betekenis), en in het tweede geval Hij op een clown. En hij is niet op een clown;
  • schijnen: in de zin de zon schijnt gaat het om iets wat de zon doet. Als je daar een bepaling bij zet, zoals de zon schijnt erg fel, dan lijkt het net alsof je ineens een zin hebt van de vorm die kat schijnt erg fel. Maar in het laatste geval gaat het echt om wat die kat is (erg fel), en in het eerste geval gaat het nog steeds om wat die zon doet (erg fel schijnen).
  • blijken: het werkwoord blijken komt ook in zijn eentje voor, zonder aanvulling: Dat dit moeilijk is, blijkt steeds weer. Dit gaat alleen maar om blijken, niet om iets blijken. Eigenlijk is dit blijken de tegenhanger van zijn in de betekenis bestaan. Wat blijkt, bestaat, maar je dacht eerst dat het niet bestond. Dit blijken komt meestal voor met een bijzin als onderwerp. Extra lastig is het, als hier een voorlopig onderwerp bij komt: het blijkt steeds weer dat dit moeilijk is. Het is nu voorlopig onderwerp, dat dit moeilijk is is het eigenlijke onderwerp, en blijkt is het werkwoordelijk gezegde (want het is blijken als bestaan).
  • kwijtraken: in de zin Ik raak iets kwijt betekent kwijtraken zoveel als verliezen, dus is het werkwoordelijk. Maar je zou ook kunnen redeneren dat het erom gaat dat ik straks iets kwijt zal zijn. En dat is naamwoordelijk. Eigenlijk is dit niet zo goed te beslissen. Misschien zou je moeten zeggen dat je het werkwoordelijk noemt als je vindt dat het om het werkwoord kwijtraken gaat (wat je dan ook aan elkaar schrijft) en naamwoordelijk als je dat niet vindt (en het dus los schrijft).
Het verhaal eindigt dus in verwarring. De moeilijkste gevallen zijn niet goed te beslissen: je kunt erover discussiëren. Is dat erg? Welnee, waarom? Het is juist een teken dat de grammaticale analyse een serieuze vorm van analyse is. Je probeert argumenten te verzamelen, aanwijzingen te zoeken, met andere woorden: je bent bezig met onderzoek. Ontleden is geen puzzel waarvan de oplossing al bekend is. Ontleden is een ontdekkingstocht naar de onbekende gebieden in de taal.

4 opmerkingen:

  1. Taalprof, bij werkwoorden als lijken en blijken kun je het infinitief vaak weglaten. Soms klinkt dit alleen niet altijd even fraai en ik vraag me af of je wel kunt zeggen dat het altijd mogelijk is.

    1. Er lijkt geen reden tot paniek/er lijkt reden tot paniek.
    2. Er lijkt geen interesse/er lijkt interesse.
    3. Er lijkt geen water/er lijkt water.

    Alleen bij zin 1 en het eerste gedeelte van zin 2 lijkt mij weglating van 'te zijn' mogelijk. Met wat fantasie klopt het tweede gedeelte van zin 2 volgens mijn taalgevoel ook nog wel, maar kom je met iets tastbaars, zoals ... mannen, water, nieuws, kroketten; dan is toch alleen nog maar de variant met 'te zijn' denkbaar? Is dit omdat het heel duidelijk moet zijn wat je als het ware weglaat uit de zin? 'Er lijkt geen reden tot ongerustheid' vul je eigenlijk geruisloos aan met 'te zijn', maar 'Er lijken geen mannen' zou je in principe aan kunnen vullen met van alles en nog wat. Ik heb hier op zich geen taalkundige onderbouwing voor, en ik hoop u wel, maar ik ben een beetje aan het brainstormen.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Een mooie observatie! Ik merk wel op dat dit allemaal gevallen zijn van het zogeheten ´existentiële zijn,' dat 'bestaan, aanwezig zijn' betekent. Dat betekent dat geen van de zinnen een naamwoordelijk gezegde is. Wat je hier dus observeert is de weglaatbaarheid van de infinitief 'zijn' bij een werkwoordelijk gezegde.

      Het gaat dus ook niet om een resultaat waarin 'lijken' een koppelwerkwoord zou zijn, maar een zelfstandig werkwoord met existentiële betekenis.

      Ik heb wel eens eerder gespeculeerd over de weglaatbaarheid van de infinitief bij een werkwoordelijk gezegde na een hulpwerkwoord van modaliteit ('Dit kan wel weg,' 'dit moet nog') (bijvoorbeeld in deze discussie), maar daar zaten deze gevallen niet bij. Ik signaleer daar wel dat de voorwaarden onduidelijk zijn: in elk geval moet het weggelaten werkwoord betekenisarm zijn, maar hoe het verder zit was mij destijds niet duidelijk.

      Volgens mij worden zinnen als (3) ook wel beter als je er een plaatsbepaling bij zet: 'Er lijkt hier geen water' of 'Er lijkt water op Mars' is voor mij prima.

      Verwijderen
  2. Is het woordje er benodigd in de volgende zin?

    1. Dit werd (er) gezegd toen ik de hoek om kwam: sukkel!

    De variant zonder er doet op de een of andere manier wat abrupt aan, is dat omdat je nieuwe informatie introduceert en dit 'inleidt' met er? En verandert het toevoegen van een plaatsbepaling hier wat aan?

    2. 'Dit werd in de klas gezegd toen ik de hoek om kwam: sukkel!'

    Dat klinkt al beter, toch? Draai je de eerste zin om, dan doet hij ook wat natuurlijker aan zonder er:

    3. 'Sukkel! Dat werd gezegd toen ik de hoek om kwam.'

    Ik vind het lastig om de vinger op de zere plek te leggen in dezen :-(

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Daar bestaat wel literatuur over (zie dit artikel), met name over het verschil met en zonder 'er' in vraagzinnen.

      In jouw zinnen is het plaatsonderwerp om te beginnen al opmerkelijk, omdat het onderwerp niet onbepaald, maar bepaald is ('dit'). Dat lijkt me alleen mogelijk in de constructie met lijdende vorm (iets als 'Dit klopt er: ...' lijkt me onmogelijk, of althans veel slechter). In de moderne taalkunde wordt ervan uitgegaan dat 'dit' het lijdend voorwerp is bij 'zeggen,' dat bepaalde functies van het weggevallen onderwerp overneemt (zoals congruentie met het werkwoord). Het woordje 'er' staat op de plaats van het onderwerp, en zolang het lijdend voorwerp niet (ook) de plaats van het onderwerp inneemt, kan het blijven staan.

      Het (mogelijk) wegvallen van plaatsonderwerp 'er' naast plaatsbepalingen is al ooit opgemerkt in het proefschrift van Hans Bennis. Wat daarvan precies de verklaring is, is niet helemaal duidelijk. Ik vind overigens jouw zin (2) met 'er' ook nog best acceptabel: 'Dit werd er in de klas gezegd toen ik de hoek om kwam: sukkel!'

      Het wel of niet voorkomen van 'er' wordt door verschillende taalgebruikers verschillend beoordeeld. Los van de betekenis lijken mensen ook een lichte voorkeur te hebben voor de variant met, of juist de variant zonder 'er.'

      Als ik het betekenisverschil zou moeten beoordelen (maar het gevaar is groot dat dit speculatie is), dan zou ik denken dat je met 'er' de gebeurtenis zelf introduceert in het gesprek: iets als 'er werd iets gezegd, namelijk dit.' Doordat je bij (3) al een heleboel van de gebeurtenis vermeld hebt, wordt het minder natuurlijk om dan ook nog eens die gebeurtenis te introduceren.

      Maar je laatste zin onderschrijf ik.


      Verwijderen