zondag 30 mei 2010

Horror Grammaticae



Er bestaat een redeloze angst in de samenleving voor een beetje grammatica. Gisteren trok zelfs de ontwerper van een grammaticamethode de conclusie dat hij de term bepaling van gesteldheid maar beter uit zijn methode weg kon laten, alleen omdat hij te veel discussie zou kunnen opleveren. Vanwaar die angsthazerij? Zijn wij een land van grammaticale watjes geworden?


Vandaag las de taalprof een ingezonden brief in de Volkskrant. Wie abonnee is op de digitale editie kan hem hier nalezen. Ook uit deze brief blijkt duidelijk de angst voor de grammatica: de horror grammaticae.


De brief is getiteld "Er staat 'je' achter 'word' en dan komt er geen dt." De auteur beschrijft uit de tweede hand een voorval uit de lerarenkamer van een basisschool, waarbij "een oudere onderwijzeres die vlak voor haar pensionering zit" een spelfout probeert te corrigeren in de zin Die extra inzet word je niet uitbetaald, die geschreven is door "Chantal, de collega van groep 6."


Het beeld dat geschetst wordt is dat van de jongere collega's, die op basis van oppervlakkige (en verkeerde) kenmerken volhouden dat word je altijd zonder -t geschreven wordt. Het meest ingewikkelde argument is nog dat je ook geen t hoort in Die extra inzet krijg je niet uitbetaald. De discussie eindigt jammerlijk door opgave van de oudere onderwijzeres, maar gelukkig blijkt een van de jongeren de volgende dag sportief (en nieuwsgierig!) genoeg geweest om de Taaladviesdienst gebeld te hebben, en hij erkent onbekommerd dat het hier toch wordt je moet zijn (waarom wordt in de brief niet vermeld).

De brief ademt een beetje de clichéopvatting van de jongeren die er niets meer van snappen en de ouderen die het allemaal nog zo goed weten, maar onderhuids zit er iets veel dramatischers in.


Zo kun je in de allereerste plaats vraagtekens zetten bij de didactische vermogens van de oudere onderwijzeres op het gebied van de grammatica, omdat zij er niet in slaagt haar jongere collega's uit te leggen waarom het hier wordt je moet zijn. Zo had zij kunnen aanvoeren dat je bij meervoud niet krijgt Die extra inzet worden wij uitbetaald, maar Die extra inzet wordt ons uitbetaald. En als dat te lastig is (dan moet je de term "onderwerp" gebruiken, die overigens wel in de kerndoelen van het basisonderwijs staat), dan had zij er toch op zijn minst op kunnen wijzen dat je bij nadruk op je krijgt Die extra inzet wordt jou niet uitbetaald, en niet Die extra inzet word jij niet uitbetaald. Dan kun je helemaal elke grammaticale term vermijden en opmerken dat de regel gaat over word jij/je en niet over wordt jou/je.


Maar die uitleg geeft de oudere collega niet. Waarom haakt zij dan af? Ik citeer letterlijk uit de brief: "De oudere onderwijzeres wil nog iets zeggen over onderwerp, lijdend voorwerp en zo, ziet echter bijtijds de meewarige blikken van al die jongere en dynamische collega's op zich gericht en laat het dan maar zo."


Dat vind ik om te beginnen al een tikkeltje ongeloofwaardig: een doorgewinterde onderwijzeres zou in het feit dat er überhaupt al blikken op haar gericht zijn meteen een kans zien om iets uit te leggen. Dat blikken van leerlingen meewarig zijn (of overkomen) zou zij toch wel gewend moeten zijn. Maar het gaat me vooral om de karakterisering van de grammatica in deze zin: Grammatica is onderwerp, lijdend voorwerp en zo. Treffend verwoord, en getuigend van een voorzichtigheid die groter is dan die tegenover voetbalsupporters en religieuze fanatici.


Als er nou nog had gestaan onderwerp, meewerkend voorwerp en zo, dan waren het tenminste nog de goede termen geweest (al had dat en zo dan nog aangegeven dat de schrijver zich verontschuldigt voor het gebruik van deze ingewikkelde terminologie). Want het lijdend voorwerp heeft met deze kwestie niets te maken. Het gaat erom dat je niet het onderwerp is, maar het meewerkend voorwerp.


Ik weet trouwens niet van wie die term lijdend voorwerp is. Het kan zijn dat de oudere onderwijzeres dit zo tegenover de briefschrijver heeft geformuleerd, maar het kan ook dat de briefschrijver dit heeft bedacht. Een derde mogelijkheid is dat beide onschuldig zijn en dat er in de oorspronkelijke brief daadwerkelijk stond onderwerp, meewerkend voorwerp en zo, en dat er dan een redacteur van De Volkskrant is geweest die heeft gedacht: meewerkend voorwerp? Oei, die term kennen de mensen niet meer. Laat ik er maar van maken lijdend voorwerp, dat is een bekendere term en het is toch ongeveer hetzelfde.


Ik weet het niet, maar dat laatste scenario dringt zich sterk bij mij op.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen