Posts tonen met het label Predicatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Predicatie. Alle posts tonen

dinsdag 24 januari 2012

Wie leest zichzelf taalkundige?



Vaak hoort de taalprof in de taalwereld de mooiste taaluitingen zomaar in het wild voorbijkomen. De ingewikkeldste constructies duiken op in de meest onverwachte contexten. Zo hoort hij nu al de hele week af en toe een reclameslogan langskomen voor een talentenjacht op de commerciële televisie. Die luidt: Wie zingt zichzelf miljonair. Wat is daar bijzonder aan?



Nou ja, niks bijzonders eigenlijk. Maar een mooi exemplaar van een constructie waar je in de gewone zinsontleding eigenlijk weinig mee aankunt. Ga maar na: in Wie zingt zichzelf miljonair moet je zichzelf als lijdend voorwerp benoemen en miljonair als bepaling van gesteldheid. Niet zo heel moeilijk, maar wel onbevredigend. Waarom?

Het werkwoord zingen kan heel goed een lijdend voorwerp hebben. Dat kun je wel weglaten (Zij zingt best goed), maar als je zingt, zing je altijd iets. Het lijdend voorwerp is altijd in gedachten aanwezig. Maar wacht eens even: in jezelf miljonair zingen is jezelf helemaal niet dat iets wat je zingt! Hoe zit dat?

Eerst even dat miljonair. Dat heeft hier de betekenis van een eigenschap of een toestand die je bereikt als gevolg van het zingen. In taalkundige termen: miljonair is een predicatie bij zichzelf. Het hoeft ook niet per se zichzelf te zijn. Je kunt ook iets hebben als Hij zingt zijn erfgenamen miljonair. Die zin betekent dat hij zo goed of succesvol zingt dat zijn erfgenamen miljonair worden.

Die predicatie, dat is, eenvoudig gezegd, een soort verborgen naamwoordelijk gezegde met zichzelf (of zijn erfgenamen) als onderwerp en miljonair als naamwoordelijk deel: hij zingt, en daardoor wordt hijzelf (of zijn erfgenamen) miljonair. In de zinsontleding is dat een normale constructie met bepaling van gesteldheid. Meer precies wordt dit ook wel een resultatieve werkwoordbepaling genoemd, omdat het miljonair zijn het gevolg zijn (of het resultaat) van het zingen.

Interessant is dat je in plaats van miljonair niet alleen andere predicaten kunt hebben (Wie zingt zichzelf schatrijk? bijvoorbeeld), maar ook plaatsbepalingen (Wie zingt zichzelf op het podium). Dat is niet zo vreemd, want dat heb je bij naamwoordelijke gezegdes ook: bij de meeste koppelwerkwoorden kun je ook plaatsbepalingen zetten, en in de traditionele zinsontleding benoem je het gezegde dan als werkwoordelijk (omdat het dan niet zegt wat je bent, maar waar je bent). Waarom is het dan interessant? Wel, omdat de plaatsbepaling in deze zin een duidelijke richtingsbepaling wordt. Als je zegt Wie zingt zichzelf op het podium? dan heb je het over de plaats waar iemand zichzelf naartoe zingt. Je zegt niet Wie zingt zichzelf daar? maar Wie zingt zichzelf daarheen?. Een richtingsbepaling is de ruimtelijke tegenhanger van de resultaatbepaling. Bij de resultaatbepaling gaat het om de toestand die het resultaat is, en bij de richtingsbepaling is het de plaats die het resultaat is. Wat zie je hieraan? In de constructie Wie zingt zichzelf miljonair? wordt er door de constructie (iemand dingest zichzelf dinges) een resultaatbetekenis opgeroepen.

Maar nu dat lijdend voorwerp. De analyse in de voorgaande alinea's laat zien dat zichzelf eigenlijk het onderwerp is van een soort minizin zichzelf wordt miljonair. En die zin is eigenlijk een soort resultaatbepaling bij Wie zingt: Wie zingt zo, dat hij miljonair wordt?. In die ontleding is dat hij miljonair wordt bijwoordelijke bijzin (sluit aan op zo), en het lijdend voorwerp van zingt blijft ongenoemd. Waarom ontleden we de zin Wie zingt zichzelf miljonair? ook niet zo? zichzelf miljonair als een soort
beknopte bijwoordelijke bijzin?

Allereerst zou dit een uitzonderlijke bijzin zijn: geen gezegde met werkwoorden (andere beknopte bijzinnen hebben altijd een werkwoord), en juist wel een onderwerp (andere beknopte bijzinnen hebben nooit een onderwerp). Bovendien kan zichzelf eigenlijk geen onderwerp zijn. Kortom: het zou een heel uitzonderlijke ontleding worden.

Maar kunnen we zichzelf dan niet beter geen lijdend voorwerp noemen? Het is immers niet wat je zingt? Maar ook daar is wel iets op aan te merken. Zo kun je bijvoorbeeld het "echte" lijdend voorwerp bij zingen in deze constructie niet toevoegen. Je kunt niet iets zeggen als Wie zingt zichzelf een liedje miljonair, in welke volgorde dan ook (Wie zingt zichzelf miljonair een liedje?). Het lijkt erop dat zichzelf in ieder geval wel de positie van het lijdend voorwerp inneemt.

Maar er is nog iets. Misschien vindt niet iedereen het acceptabel, maar je kunt je ook een zin voorstellen als Wie werden er in vorige jaren allemaal miljonair gezongen?). Zelfde constructie, zelfde betekenis. Maar nu heb je een lijdende vorm, en het onderwerp, dat zijn degenen die miljonair werden. Maar dat is een goed argument om te zeggen dat het zinsdeel in de actieve zin lijdend voorwerp is.

Lost de moderne taalkunde deze puzzel op? Jawel: die zegt dat zichzelf eigenlijk het onderwerp is van het predicaat miljonair, maar de positie van het lijdend voorwerp inneemt. Het is dus beide tegelijk. In de eenvoudige zinsontleding moet je een keuze maken. Lijdend voorwerp is dan de beste keuze.

dinsdag 25 mei 2010

Bij twitter is zorgvuldigheid geen ruimte voor



Zo af en toe twittert de taalprof ook wel eens, maar dat valt nog niet mee. Dan zie je iets leuks, of iemand vraagt iets interessants, en dan moet je daar in 140 tekens op reageren. Hoe doe je dat? Als iemand iets over een zin vraagt, moet je die zin dan helemaal herhalen? Dan ben je al een groot deel van je tekens kwijt. Want je kunt niet rechtstreeks verwijzen naar de vraag, of wel? Ik houd me aanbevolen voor tips.


In ieder geval: iemand vraagt mij wat ik maak van de zin Zonder twitter was het debat helemaal geen bal aan. Interessante vraag! Maar het antwoord kost me meer ruimte.

dinsdag 30 december 2008

Kinderpredicatie



In mijn Ultrabeknopte Syntaxis had ik het over de drie (of vier) soorten inhoudswoorden: zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden (en eventueel voorzetsels). Met die inhoudswoorden kun je woordgroepen maken. Die woordgroepen, zo voegde ik eraan toe, kun je in een "betekenisvol verband" plaatsen. Dat heet dan "predicatie".


Valt daar nog iets aan toe te voegen? Nou, eigenlijk niet. Maar ik kan het wel nog eens illustreren.

maandag 18 december 2006

Rare jongens, die Engelsen



Als je in een Engelse grammatica naar de term bepaling van gesteldheid zoekt, kom je bij een aantal verschillende termen uit: subject complement, object complement, en predicative adjunct. Kijk je vervolgens bij subject complement, dan vind je dat dat weer overeenkomt met wat wij naamwoordelijk deel van het gezegde noemen. Hûh? Zijn die Engelsen nou helemaal gek geworden?

zaterdag 11 maart 2006

Wat de zin bij elkaar houdt.



"Zeg, weet jij wat predicatie is?"
"Pree-die-kaat-sie? Nee, zegt me niks. Wat is dat dan?"
"Nou, dat is-"
"O wacht even, dat is zeker weer iets van die grammatica van jou, niet?"
"Ja inderdaad!"
"Ja dat dacht ik wel. Goed, maar wat is het?"
"Predicatie is een van de belangrijkste mechanismen in de taal. Eigenlijk zou je kunnen zeggen dat de zin zo’n beetje bij elkaar wordt gehouden door predicatie"
"Dat is niet mis. Maar waarom weet ik daar dan niets van? Waarom staat dat dan niet in de grammaticaboekjes?"
"In de Nederlandse grammatica spreken ze liever over zegt iets van."
"Wat?"
"Als er twee zinsdelen in een predicatieve relatie staan, dan zegt het ene iets over het andere."
"Maar dat is dan toch veel makkelijker?"
"Hoezo?"
"Nou zegt iets over lijkt me makkelijker dan predicatieve relatie, neem me niet kwalijk!"
"Toch is het verwarrender"
"Leg eens uit?"
"Neem de zin Dikke mensen eten hamburgers, wat zegt dan wat van wat anders?"
"Ehh, laat eens kijken, dikke zegt iets van mensen."
"Okee. Ga verder."
"Eh, eh, help eens even?"
"Zegt hamburgers iets van eten, of eten iets van hamburgers?"
"Eh, ja, eh, nee, misschien, eh, ja jezus ik weet het niet hoor!"
"Zie je wel? Dat is allemaal heel vaag, zegt iets van. Niemand weet goed wat dat betekent."
"Goed. Maar wat is predicatie dan?"
"Een predicaat zegt wel iets over iets of iemand, maar dat is niet zomaar iets. Een predicaat zegt wat iets of iemand is of doet."
"Hee dat komt me bekend voor!"
"Waar ken je dat van dan?"
"Was dat ook niet het verschil tussen naamwoordelijk en werkwoordelijk gezegde? Het naamwoordelijk gezegde is altijd zijn, en het werkwoordelijk gezegde is doen."
"Ja precies!"
"Dus een predicaat is gewoon een werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde?"
"Nou niet precies."
"Hè, doe nou eens niet zo moeilijk! Wat is het verschil dan?"
"Een werkwoordelijk gezegde wordt soms aangevuld, gecompleteerd, met voorwerpen: complementen. Bijvoorbeeld het lijdend voorwerp, het meewerkend voorwerp. Samen vormen ze het predicaat. Het naamwoordelijk gezegde bestáát al uit een koppelwerkwoord en een aanvulling."
"Jaja. Dus in die zin van net, Dikke mensen eten hamburgers is eten hamburgers het predicaat en eten het werkwoordelijk gezegde?"
"Precies!"
"Is dat alles?"
"Nee zeg!"
"Jij wordt nu een beetje irritant, weet je dat? Wat is er dan nog meer?"
"Predicatie is wat het onderwerp met het gezegde (en zijn voorwerpen) verbindt, maar predicatie zit op veel meer plaatsen in de zin."
"Jaja"
"Jij noemde zelf net al de relatie tussen dikke en mensen. Ook dat is predicatie, want dik is wat die mensen zijn."
"Okee, dat zie ik. En verder?"
"Zal ik eens een extreem voorbeeld geven?"
"[zucht] doe maar"
"De dronken rapper liep luid zingend over het podium"
"Dat noem jij extreem?"
"Daar zitten vier predicaties in"
"Vier?"
"Vier. Luid zingend over het podium lopen is wat de dronken rapper doet. Dat is één."
"Die zag ik!"
"Dronken is wat de rapper is. Dat is twee."
"Okee"
"Luid is wat het zingen is. Drie"
"Nou zul je het hebben. En nu?"
"Luid zingen is wat de dronken rapper ook nog doet. Vier"
"Die laatste zag ik niet."
"Geen wonder. Dat is de bepaling van gesteldheid. Maar daar zal ik het een andere keer nog wel eens over hebben."
"Doe dat. Ik moet hier eerst van bijkomen."