


Er zijn veel grammaticale termen waarmee je mensen snel de stuipen op het lijf kunt jagen. Sommigen lopen al gillend weg bij het horen van de term naamwoordelijk gezegde, en zelfs de meest geharde grammaticatijgers kunnen bij de term voornaamwoordelijk bijwoord een lichte huivering niet onderdrukken. Maar ze gaan allemaal voor de bijl bij de bepaling van gesteldheid.
Ik kom maar zelden iemand tegen die mij precies kan vertellen wat nu eigenlijk een bepaling van gesteldheid is. Meestal beginnen mensen een beetje hakkelend een paar voorbeelden te geven, en in het beste geval kunnen ze daar op goed geluk wat andere termen bij noemen zoals (in willekeurige volgorde) resultatieve werkwoordbepaling, predicatieve toevoeging of dubbel verbonden bepaling. Dit alles met de grootst mogelijke omzichtigheid, ja bijna schaamte dat ze daar ook maar iets vanaf weten.
Is dat dan zo moeilijk? Is de bepaling van gesteldheid iets wat je als spreker van het Nederlands pas na jarenlange oefening onder de knie krijgt? Ach welnee! Iedereen gebruikt hem, en er is niks moeilijks aan.
Een bepaling van gesteldheid is niets anders dan een vorm van predicatie. Predicatie, dat is de basisverbinding in de zin. Je neemt een onderwerp (iemand of iets), je zet er bij wat die iemand of iets doet of is, en je hebt predicatie. Zo simpel is het. Wouter lacht, Jan-Peter is vrolijk (of andersom), dat is predicatie. Gaat het om doen (bijvoorbeeld lachen), dan is het werkwoordelijk, gaat het om zijn (bijvoorbeeld vrolijk zijn) dan is het naamwoordelijk. Daarmee heb je je werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde als de basispredicatie van de zin.
Het zou een beetje saai en niet erg efficiënt zijn als het daarbij zou blijven. Je kunt predicatie ook op een andere manier in de zin uitdrukken. Bijvoorbeeld in de lachende politicus of de vrolijke politicus. Ook daar heb je predicatieve relaties (dezelfde predicatieve relaties!) tussen de bijvoeglijke bepalingen en de
zelfstandige naamwoorden. De zinsontleding maakt hier geen onderscheid tussen werkwoordelijke en naamwoordelijke bijvoeglijke bepalingen, maar dat had heel goed gekund. In ieder geval is de predicatie eigenlijk hetzelfde.
Maar nu de derde mogelijkheid. Je kunt de predicatie ook in de zin "versleutelen", zoals in de politicus stond lachend op zijn zeepkist en de politicus stond vrolijk op zijn zeepkist. In deze zinnen zien we weer dezelfde predicatieve relaties: wat de eerste politicus doet is lachen, en de tweede is vrolijk.
Deze manier van predicatie is een wat lossere constructie dan de andere twee. Bij de predicatie van het gezegde heb je vaak de overeenkomst in getal tussen onderwerp en persoonsvorm, en bij de predicatie van de bijvoeglijke bepaling heb je vaak verbuiging als ondersteuning. Bij de derde soort predicatie heb je dat allemaal niet. Het predicaat kan ook op veel plaatsen staan, het hoeft niet vlak bij het zinsdeel te staan waar het een predicaat bij vormt.
Dit "lossere" predicaat, dat is de bepaling van gesteldheid. De bepaling van gesteldheid is dus een bepaling die een predicatieve relatie onderhoudt met een iemand of iets in de zin, zonder dat het meteen een bijvoeglijke bepaling of een gezegde is.
Is dat moeilijk? Kennelijk niet, want we gebruiken graag en vaak. De bepaling van gesteldheid is het minst herkende onder de meest gebruikte zinsdelen. Daarom schrijf ik er straks nog een logje over. Maar je hoeft er niet bang voor te zijn.