vrijdag 27 februari 2015

Woord zoekt zinsdeel

Gisteren gaf ik een gastcollege over grammaticaonderwijs op een lerarenopleiding. Tijdens dat college kreeg ik een vraag waar ik te weinig tijd voor had. Ik beloofde toen er later nog uitgebreid op in te gaan. Hierbij los ik deze belofte in.

De vraag was: hoe leg ik aan mijn vmbo-leerlingen het verschil uit tussen woordsoort en zinsdeel? De achtergrond hiervan was dat leerlingen de benoemingen voortdurend door elkaar haalden. Dan was je bezig met zinsdeelbenoeming, en dan hadden ze het over zelfstandig naamwoord. Dus of ik een idee had hoe ik dat verschil voor eens en voor altijd duidelijk kon maken.

Tijdens het college dacht ik aan een vergelijking met voetbal (dat is vaak mijn eerste reflex). Bij het voetbal heb je het over soorten spelers, zoals aanvaller, of keeper, of linkspoot. Dan heb je het over de spelers die je bij wissels kunt inzetten zonder het spelconcept te veranderen. Een aanvaller voor een aanvaller, een rechtsback voor een rechtsback. Die beschrijving komt overeen met de woordsoortenbeschrijving. In tegenstelling daarmee kun je het hebben over spelconcepten als 4-4-2, of combinaties als een-tweetje, en zelfs variabele eigenschappen als aanvoerder. Dat zijn rollen die de spelers spelen, taken die uitgevoerd worden. Dat beschrijvingsniveau komt overeen met de ontleding in zinsdelen.

Bij het uitleggen van dat idee merkte ik echter dat deze vergelijking misschien te abstract was, en te ver van de taal zelf stond. Daarom maar eens een andere poging.

Kijk eens naar een zinnetje als Boer zoekt vrouw. Dat zinnetje bestaat uit drie woorden. Die woorden hebben elk een afzonderlijke betekenis, en ze hebben samen een extra betekenis. In een andere volgorde, bijvoorbeeld Vrouw zoekt boer, zijn de betekenissen van de woorden hetzelfde, maar de zin betekent iets heel anders.

Het is dus nuttig om woorden apart te beschrijven,  maar je moet ook een beschrijving hebben van die woordcombinaties. Daarom praten we niet alleen over woordsoorten, maar ook over zinsdelen.

In het voorbeeld Boer zoekt vrouw zijn boer en vrouw allebei zelfstandig naamwoord, en zoekt is een werkwoord. Het idee achter die beschrijving is dat je boer en vrouw ook kunt inwisselen. In elke zin waar vrouw staat, kun je in principe ook boer invullen. Dat kan wel eens botsen met de betekenis, of je hebt speciale uitdrukkingen (van een boer laten kun je niet zomaar maken een vrouw laten), maar in principe, volgens de woordsoort, kan het.

Woordsoorten zijn handig, omdat ze iets zeggen over wat je met zo'n woord kunt doen: van zelfstandige naamwoorden kun je meestal een meervoud maken (boeren en vrouwen), of een verkleinwoord (boertje en vrouwtje), je kunt ze combineren met een lidwoord (de boer, de vrouw), of je kunt ze gebruiken in een samenstelling (boerenhuis, vrouwenhuis).

Zinsdelen gaan meer over de rol die de woorden in de betekenis van de zin spelen. In boer zoekt vrouw is boer het onderwerp en vrouw het lijdend voorwerp, en in vrouw zoekt boer is vrouw het onderwerp en boer het lijdend voorwerp. Dat boer in de eerste zin onderwerp is, ligt niet aan het woord boer zelf (dat kan ook als een ander zinsdeel optreden) maar aan de plaats die het als zinsdeel inneemt: het staat vooraan, en het is net als de persoonsvorm (zoekt) enkelvoud.

Woordsoorten gaan over wat je met een woord kunt doen, en zinsdelen gaan over welke rol ze spelen in de constructie van de zin. Dat is het verschil.

2 opmerkingen:

  1. Ik ben degene die de vraag gesteld heeft tijdens het college. Ik ga proberen uw uitleg concreet te maken voor de leerlingen. Ik ga een werkvorm uitproberen waarbij de leerlingen woordsoorten op kaartjes aangeboden krijgen. Elk kaartje heeft een andere kleur, naargelang de woordsoort. Uitgaande van de zin 'Boer zoekt vrouw' zien ze woordsoorten en zinsdelen tegelijk. Als ze woorden verplaatsen, verplaatsen de woordsoorten zich en bij uitbreiding van de zin in bv. 'De boer zoekt een lieve vrouw' kunnen ze veel varianten maken.

    Een variant: leerlingen 'spelen' voor de klas een woordsoort en samen met andere leerlingen een zinsdeel. Door zich te verplaatsen verandert de zin en daarmee ook de plaats van zinsdelen en woordsoorten. Hopelijk wordt hiermee het verschil in woordsoorten en zinsdelen duidelijk.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Dat lijkt me een leuk idee: je kunt ook beginnen met kaartjes waarop woorden staan als 'boeren, vrouwen, zoeken, kussen.' Die woorden zien er allemaal hetzelfde uit (eindigen allemaal op -en). Door goed te kijken naar de combinatiemogelijkheden kun je twee groepen maken (werkwoorden en naamwoorden). Dat kun je vervolgens uitbouwen door ook de verschillende mogelijkheden van woordvorming te bekijken.

      Je idee met het spelen van de woordsoorten en zinsdelen lijkt me ook leuk. Rapporteer anders eens hoe het gegaan is!

      Verwijderen