
"Op
http://taalprof.web-log.nl is afgelopen nacht beroering ontstaan, toen een lezer de taalprof beschuldigde van een
denkfout. Te gast in de studio de beschuldigde taalprof. Goedemorgen!"
"Goedemorgen"
"Dat was wel even schrikken, nietwaar? Zeg eens eerlijk, hebt u inderdaad een uitglijder gemaakt?"
"Nou nee, niet echt."
"Wat was er dan precies aan de hand? Legt u eens uit."
"Welnu, ik had net een uitleg afgerond over het wederkerig voornaamwoord..."
"Oei! Kunt u even kort voor de luisteraars uitleggen wat dat is?"
"Eh, ja. Het enige wederkerige voornaamwoord in het Nederlands is elkaar,
op wat verouderde vormen na dan. Dat is een heel raar woord, omdat het
niet alleen terugverwijst naar iemand anders, maar als het ware twee
kanten opgaat. Zeg je Ze kussen elkaar dan kust de een de ander, én de ander de een."
"Jaja"
"Nou, ik had dus net die uitleg afgerond, en toen dacht ik: ik verklaar ook nog even dat woord, wederkerig, en zet het af tegen wederkerend. Dat deed ik door te zeggen, dat die afleiding met -ig, wederkerig, betrekking heeft op die heen-en-weerverwijzing. Net als lacherig en huilerig duiden op "steeds" lachen of huilen."
"En wat was het probleem?"
"Een lezer merkte op dat ik blijkbaar dacht dat er sprake was van een tussenvoegsel -er."
"Een wat?"
"Bij sommige werkwoorden kun je een lettergreepje -er of -el toevoegen, dat dan een betekenis van herhaling veroorzaakt. Zo is hinkelen het herhaald hinken, stuiteren is het herhaald stuiten. Vrijwel alle werkwoorden op -eren en -elen (met stomme e’s natuurlijk) zijn dergelijke zogeheten frequentatieven."
"Frequentatieven, moeilijk woord!"
"Dat valt wel mee. Denk maar aan frequentie."
"Ja natuurlijk. Maar was dat zo?"
"Was wat zo?"
"Hebt u daar inderdaad een denkfout gemaakt?"
"Nee natuurlijk niet. Ik had dat inderdaad niet moeten formuleren met het woordje steeds, maar ik heb eerlijk gezegd nooit aan een frequentatief gedacht. Zoals de lezer terecht opmerkt is er bij wederkerig geen sprake van een toegevoegde lettergreep -er. Die r is van wederkeren. Nee, ik dacht eerder aan een habituele betekenis."
"Wat is dat nu weer?"
"Denk maar aan het Engelse habit. Habitueel heeft met gewoonte te maken. Een habituele betekenis van een werkwoord wil zeggen dat je iets gewoonlijk doet."
"Kunt u daar een voorbeeld van geven?"
"Een habituele betekenis kan bijvoorbeeld opgeroepen worden door een bijwoordje. Neem bijvoorbeeld het woordje graag. Als je zegt Ik wandel graag,
dan zeg je niet alleen dat je wandelen leuk vindt, maar ook dat het
wandelen voor jou een gewoonte is waar je plezier aan beleeft."
"Aha."
"Je
kunt dat ook duidelijk zien als je bijvoorbeeld een zin hebt waarin die
wandeling op een precies tijdstip wordt geplaatst. Bijvoorbeeld Gisteren heb ik van twee tot drie uur gewandeld. Daar kun je onmogelijk graag bij zetten."
"Gisteren heb ik van twee tot drie uur graag gewandeld, nee dat kun je inderdaad niet zeggen."
"Je kunt dat best leuk hebben gevonden, maar het kan geen gewoonte zijn om gisteren van twee tot drie uur te hebben gewandeld."
"Dat is dus een habituele betekenis."
"Precies.
En die bedoelde ik. En natuurlijk is een gewoonte niet iets wat je maar
één keer doet. Dat doe je herhaaldelijk. Vandaar dat ik steeds zei. Ongelukkige woordkeus, dat geef ik toe. Maar geen denkfout."
"Maar uw lezer zei: ik geloof niet dat er een systeem in zit, in die betekenis van woorden op -ig. Hoe weet u dat zo zeker dan?"
"Een
verstandig man staat op de schouders van reuzen. Ook de grote
naslagwerken merken die betekenis op. Zo noemt de beroemde taalkundige
Schönfeld als voorbeeld een woord uit het oudnieuwnederlands…"
"Het wát?"
"Zeg
maar, het Nederlands vóór het middeleeuws en na het oudnederlands. Zo
rond het einde van het eerste millennium. Maar goed, hij noemt het woord
lezig, dat "leeslustig" zou betekenen. Mooi woord, zeker uit
een tijd dat vrijwel iedereen analfabeet was. Dat zou ik best weer
ingevoerd willen zien."
"Haha, dat zal wel moeilijk worden met de ontlezing van deze tijd!"
"Dat denk ik ook. Maar die betekenis "leeslustig", dat lijkt me eigenlijk precies die habituele betekenis."
"Jaja"
"Maar ook de moderne Van Dale geeft als een van de omschrijvingen van het achtervoegsel -ig: achtervoegsel
waarmee van ww. bn. worden gevormd die betekenen: (al te zeer) geneigd
tot het verrichten van hetgeen in het grondwoord is uitgedrukt."
"Pardon?"
"Bijvoorbeeld, knorrig betekent al te zeer geneigd tot knorren, en treiterig betekent al te zeer geneigd tot treiteren."
"Aha"
"Ik
vind het wat onhandig omschreven, en er zit ook een beetje een element
van afkeuring in, dat door Schönfeld ook al was opgemerkt (pejoratief, noemde hij dat). Maar het is onmiskenbaar habitueel."
"Uw lezer geeft nog het voorbeeld smerig. Dat kun je toch niet opvatten als al te zeer geneigd tot smeren."
"Nee, Schönfeld merkt ook al op dat je oorspronkelijk alleen zelfstandige naamwoorden kon verbinden met -ig. Doordat
sommige zelfstandige naamwoorden hetzelfde waren als de stammen van een
werkwoord ontstond ook de mogelijkheid om werkwoorden met -ig te verbinden. Maar smerig lijkt me een afleiding van het zelfstandig naamwoord smeer ("vet, vuiligheid"), met als betekenis "rijkelijk voorzien van smeer"."
"Tot slot, meneer de taalprof. Hoe zit het dan met die extra -er in huilerig?"
"Ja, dat is wel interessant. Ik geloof dat die afleiding met -erig in het huidige Nederlands productiever is dan de afleiding met -ig. Ik zou tenminste best een nieuw woord terugkeerderig
kunnen maken, voor iemand die er een gewoonte van maakt om telkens
terug te keren. Ik acht het trouwens helemaal niet onmogelijk dat daar
dan toch sprake is van twee achtervoegsels: -ig met habituele betekenis, en -er om nog eens extra die frequentie te benadrukken. Een beetje dubbelop misschien, maar best expressief."
"Expressief, inderdaad. En daar gaat het maar om. Na de reclame gaan we verder met de vraag Witte sokken in sandalen, kan dat weer? en u kunt nog inbellen tot negen uur precies. Voor nu, hartelijk dank taalprof…"
"Graag gedaan"
"En tot zolang, muziek!"