zondag 4 oktober 2009

Voorzetsels en voegwoorden




Het lijkt wel een beetje stilletjes op het taalprof-weblog, maar de vragen en discussies gaan gestaag door. De afgelopen dagen ontstonden er twee verschillende discussies, die op een verrassende manier samenhangen. Eerst merkte Ton op dat het voegwoord al in de zin al heb ik een euro, ik koop toch geen ijsje niet als een voegwoord maar als een bijwoord gezien moet worden, en vervolgens stelt Henk voor om als in verkleed gaan als Sinterklaas een voorzetsel te noemen. Zij dragen daar argumenten voor aan, maar de discussie roept de vraag op: wat is hier eigenlijk aan de hand? Wat is eigenlijk het verschil tussen voegwoord en voorzetsel? Wanneer noem je iets voegwoord, wanneer voorzetsel (en wanneer bijwoord)?
Eigenlijk is het niet eens zo belangrijk wat je in de afzonderlijke gevallen zou beslissen. Het werkelijke inzicht is dat de woordsoorten voorzetsel en voegwoord sterk verwant zijn. Dat blijft in de meeste grammaticaschoolmethoden een beetje onderbelicht, maar het is een verhelderend inzicht. Denk ik.

Het Nederlands kent twee woordsoorten die speciaal bedoeld zijn om zinsdelen te verbinden: het voorzetsel en het voegwoord. Nou zul je zeggen: maar het voorzetsel verbindt toch geen twee zinsdelen? Dat staat gewoon voor één zinsdeel, zoals bij op de kast, in de kast, naast de kast, enzovoorts. Inderdaad, zo wordt het meestal uitgelegd, maar dat is misleidend. Want als je het hebt over op de kast, dan is er toch altijd iets anders dat zich op die kast bevindt. Met andere woorden: de relatie "op" is een relatie tussen iets anders en die kast. Je kunt wel zeggen dat in termen van woordgroepen dat op meer bij de kast hoort dan bij dat andere, maar datzelfde geldt voor voegwoorden. Als je zegt de zon schijnt terwijl het heel hard regent, dan hoort terwijl in termen van woordgroepen ook meer bij het heel hard regent.


Goed. Voorzetsels en voegwoorden verbinden dus allebei twee dingen. Het is X op Y maar ook X terwijl Y. Maar wat is dan het verschil? Dat hangt voornamelijk van twee dingen af: als het woord twee gelijkwaardige delen verbindt, dan hebben we het meestal over een voegwoord. Een nevenschikkend voegwoord, om precies te zijn. Een nevenschikkend voegwoord verbindt delen die dezelfde functie hebben, als het ware naast elkaar staan, en vaak inwisselbaar zijn. Je zegt de zon schijnt of het regent heel hard, de vaas of de kast, wit of rood, enzovoorts. Allemaal voegwoorden. Er zijn wel een paar twijfelgevallen, zoals de vaas in plaats van de kast, waarbij in plaats van meestal als voorzetseluitdrukking benoemd wordt, maar je zou kunnen argumenteren dat die de functie van een nevenschikkend voegwoord heeft.


Verbinding van gelijkwaardige delen gebeurt dus met nevenschikkend voegwoord, wat voor delen het ook betreft. Als het echter gaat om ongelijke delen (het ene deel heeft een functie binnen het andere deel), dan hebben we een ander verhaal. Als het tweede deel dan een bijzin is, noemen we het verbindingswoord een voegwoord. Is het tweede deel geen bijzin, dan is er sprake van een voorzetsel. Dus bij de zon schijnt terwijl het heel hard regent is het tweede deel (terwijl het heel hard regent) een bijzin en dus is terwijl een onderschikkend voegwoord, maar bij de zon schijnt tijdens een regenbui is het tweede deel geen bijzin, dus tijdens is een voorzetsel.

So far, so good. Dat zijn duidelijke voorbeelden. Maar juist omdat die woordsoorten zoveel op elkaar lijken krijg je natuurlijk ook de ontwikkeling dat een aantal gevallen de overstap naar de andere soort maken. Dat zie je vooral bij de voorzetsels, die vaak aan het voegwoord dat worden toegevoegd (na-dat, voor-dat, om-dat) en samen een onderschikkend voegwoord vormen, of zelfs in hun eentje een beknopte bijzin kunnen inleiden (na dat gedaan te hebben, voor dat te doen).

Bij de voegwoorden zie je vaak iets anders: als er samentrekking optreedt in de bijzin, wordt er vaak zoveel weggelaten dat het tweede deel zijn karakter als bijzin lijkt te verliezen. Dan is de vraag: hoe lang noem je een samengetrokken bijzin nog een bijzin? Dat zie je bij dan, als en behalve. Die hebben duidelijk nog een samengetrokken bijzin als er twee of meer zinsdelen overblijven: Zij kust mij liever dan ik haar, ik kus haar even graag als zij mij, behalve zij mij heeft hij haar ook gekust. In die gevallen zijn dan, als en behalve dus nog duidelijk voegwoorden (en heb je trouwens ook een goed argument om in plaats van een voegwoord(uitdrukking) te noemen: zij heeft mij gekust in plaats van ik haar).


Lastiger wordt het als er na dan, als en behalve maar een zinsdeel overblijft. Toch zie je daar met name bij de voornaamwoorden nog naamvalseffecten die als een laatste stuiptrekking het bijzinskarakter verraden. Naast Zij kust haar liever dan ik heb je Zij kust haar liever dan mij. Die onderwerpsvorm ik en voorwerpsvorm mij is alleen verklaarbaar vanuit het bijzinskarakter. Dus ook daar zou je dan nog onderschikkend voegwoord moeten noemen.

Nog zwakker is het effect soms bij de bepaling van gesteldheid met als. Bij Wij zijn verkleed als dokters heb je ook de variant Wij zijn verkleed als dokter. Ook dat is een aanwijzing dat dokters/dokter een zinsdeelfunctie heeft binnen een samengetrokken bijzin: namelijk een naamwoordelijk deel van het gezegde. Dat is immers het enige zinsdeel waarbij je in deze gevallen probleemloos een meervoud kunt vervangen door een enkelvoud.


Maar wat moet je dan met de ontleding van gevallen als Hij is groter dan mij? Die geldt wel als een foute zin (voldoet niet aan de taalnorm), maar stel dat iemand zo'n zin gebruikt, hoe moet je hem dan ontleden? Wel, dan zou je als volgt moeten redeneren: in deze zin is de voorwerpsvorm mij niet te verklaren vanuit de samengetrokken bijzin (want die zou moeten luiden ...dan ik ben). Dus moet de voorwerpsvorm verklaard worden uit het verbindingswoord dan. Maar in dat geval verbindt het woordje dan dus geen bijzin (want bijzinnen hebben geen naamvallen), maar alleen mij. Dus beschouwt die taalgebruiker dan blijkbaar als een voorzetsel.

En hoe zit het met dat woordje al in al regent het, ik ga toch naar het strand? Ton redeneert dat het gedeelte achter al een hoofdzinsvolgorde met inversie is (onderwerp en persoonsvorm zijn omgewisseld), en dat dit alleen verklaarbaar is als je al als een bijwoord beschouwt. Dit is in feite een redenering vanuit de moderne taalkunde (de generatieve grammatica), waarbij voorzetsels en voegwoorden ieder de kern van een eigen woordgroep vormen. In die theorie wordt aangenomen dat alle zinnen voegwoordgroepen zijn. De hoofdzinsvolgorde wordt dan verklaard door te stellen dat de persoonsvorm in die woordgroep de plaats inneemt van het ontbrekende voegwoord. In die theorie is het onmogelijk dat je een (onderschikkend) voegwoord hebt en toch een hoofdzinsvolgorde.


Dit argument is natuurlijk alleen doorslaggevend binnen de generatieve grammatica. In de traditionele ontleding is de beslissing om iets voorzetsel of voegwoord te noemen een afweging van een aantal eigenschappen. Daar is de eerste vraag wat voor soort verbinding X (ook) al Y is (of al Y, X). In elk geval moet je dan opmerken dat Y een zin is. Dat zou al pleiten voor al als voegwoord. Natuurlijk heb je ook verbindingen met een (voegwoordelijk) bijwoord, zoals in X dus Y, of X, bovendien Y, maar daar kun je dan altijd weer het voegwoord en aan toevoegen, en dus kun je argumenteren dat in X dus Y het voegwoord is weggelaten. Maar dat kan niet bij X (ook) al Y. Daarnaast heb je bij de stelling dat al een bijwoord is het probleem dat al per se vooraan de zin moet staan. Die andere voegwoordelijke bijwoorden kunnen ook midden in de zin staan. En tot overmaat van ramp is het zinsdeel dat begint met al in zijn eentje niet compleet. Een zin als Ook al regent het heel hard is onmogelijk. Dat is maar een halve zin. Er moet dus iets voegwoordelijks inzitten, en als dat voegwoordelijke niet is weggelaten, waar zit het dan?

De benoeming van al is dus problematisch, of je nu kiest voor voegwoord of bijwoord. In beide gevallen heeft het unieke eigenschappen. Is dat erg? Nou ja, in zoverre dat je graag een sluitende beschrijving van de taal hebt. Maar die hebben we niet, en woorden zoals al maken ons daarvan bewust. Dat is dan ook wel weer mooi.





3 opmerkingen:

  1. Voor de volledigheid: ik ben niet de eerste, noch de enige die "al"-bijzinnen als concessief opvat of "al" daarin als bijwoord. Zie Den Hertog (1903):
    Opmerking verdient eindelijk, dat soms de bijwoorden "al" en "ook" alleen het toegevend karakter uitdrukken; de primitief voorwaardelijke beteekenis van den zin wordt dan door de vragende woordschikking aangegeven: "Doet hij ook zijn best, het geeft niet veel." "Sprak hij al gelijk Brugman, men luisterde toch niet."
    Met behoud van de vragende woordschikking kan "al", - wat met ook niet mogelijk is, - naar het begin van den zin verhuizen: "Al doet hij zijn best", enz. Op grond van dit ontbreken van allen invloed op de woordschikking, in verband met hetgeen omtrent de beteekenis van "al" is meegedeeld, blijft men dit "al" dus met reden tot de bijwoorden rekenen.
    In een bijzin van toegeving met "al" kan eene werkelijkheid toegegeven worden en moet in dat geval een vorm der aantoonende wijs worden gebruikt: "Al staat hij vroeg op, hij is toch altijd laat klaar". Maar zeer dikwijls wordt met dezen vorm iets onwerkelijks toegegeven en daarom komt achter "al" herhaaldelijk een vorm der voorwaardelijke wijs: "Al stond hij vroeg op, hij zou toch niet op tijd klaar kunnen zijn". "Al gaf ik toe, de zaak zou daarmede toch niet uit zijn". "Al had ik vacantie, ik zou er niet kunnen heengaan".
    (einde van paragraaf 93, met dank aan de DBNL http://www.dbnl.nl/tekst/hert003nede01_01/hert003nede01_01_0029.htm)

    BeantwoordenVerwijderen
  2. @Ton: Interessant! Den Hertog geeft een ander argument om 'al' als bijwoord te beschouwen in de variant 'Sprak hij al gelijk Brugman, men luisterde toch niet.' Hierin staat 'al' verderop in de zin, en lijkt de bijwoordelijke benoeming verplicht. Echter, jammer is dan weer dat hiermee jouw argumentatie op de tocht komt te staan dat de inversie het bijwoordelijke karakter van 'al' zou aantonen: want in deze zin heb je inversie nodig, zonder dat 'al' op de eerste zinsplaats staat.
    Toch lees ik in die laatste alinea dat Den Hertog ook een onderscheid maakt tussen die zuivere concessieve betekenis en een betekenis waarin ook iets voorwaardelijks zit. Zo wordt het ook in de ANS gesteld, die opmerkt dat 'al' zich syntactisch gedraagt als een bijwoord, maar op semantische gronden een voegwoord genoemd wordt (wat me ook iets te kort door de bocht lijkt). Zie hier: http://www.let.ru.nl/ans/ganaar?10/03/09/01 en hier: http://www.let.ru.nl/ans/ganaar?10/03/09/02

    BeantwoordenVerwijderen