woensdag 8 maart 2006

In de war in de tuin




"Hè, vertel nog eens iets leuks over het naamwoordelijk gezegde?"
"Wat wil je dan horen?"
"Nou bijvoorbeeld waarom mensen het zo moeilijk vinden?"
"O is dat zo?"
"Ja man, het is een van de grootste struikelblokken bij het ontleden van zinnen"
"Maar het is toch echt hartstikke makkelijk! Dat heb ik echt heel duidelijk uitgelegd in de weblog Wat is een naamwoordelijk gezegde? en Er is maar één koppelwerkwoord. Daar leg ik uit dat het naamwoordelijk gezegde altijd met "zijn" te maken heeft, met wat je bent of wat er is."
"Aha"
"Niet wat er gebeurt of wat iemand doet."
"Jaja"
"Je bent niet overtuigd"
"Nee, niet echt"
"Maar waarom dan niet?"
"Nou, als dat zo makkelijk is, waarom hebben mensen er dan zoveel moeite mee? Je wilt toch niet beweren dat al het onderwijs op dat gebied slecht is?"
"Ehhh…"
"Ja nou sta jij ineens met de mond vol tanden!"
"Ik wil anders niet beweren dat het aan het onderwijs ligt. Maar toch is het onderscheid werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde in beginsel heel eenvoudig"
"Ja nou zeg je ineens in beginsel"
"Ja. Er zijn best lastige gevallen."
"O? Noem er eens een"
"Bijvoorbeeld het verschil tussen Ik ben in de war en Ik ben in de tuin."
"Is dat iets anders dan?"
"Jazeker!"
"Leg eens uit"
"Ik ben in de war is naamwoordelijk gezegde en Ik ben in de tuin is werkwoordelijk."
"Wat is dat nou weer voor een kunstmatig onderscheid! Geen wonder dat mensen dit niet serieus kunnen nemen."
"Het is toch echt fundamenteel anders"
"Ja kom zeg, dit is nou echt een schoolvoorbeeld van een door taalkundigen verzonnen onderscheid. Die lui weten echt niet hoe de gewone taalgebruiker denkt."
"De gewone taalgebruiker, dat ben jij bijvoorbeeld?"
"Ja bijvoorbeeld"
"Dus voor jou is er geen wezenlijk verschil tussen Ik ben in de tuin en Ik ben in de war."
"Nou ja ik ben niet achterlijk natuurlijk. Ik ben in de tuin is letterlijk en Ik ben in de war is figuurlijk, dat zie ik ook wel. Maar die zinnen zitten hetzelfde in elkaar. Ik zie echt geen reden om het een werkwoordelijk en het ander naamwoordelijk te noemen."
"Jaja. Dus die gezegdes zijn volgens jou hetzelfde."
"Precies. Van mij mag je ze allebei naamwoordelijk noemen. Het is toch allebei "zijn"? Je zegt het zelf dat dat dan naamwoordelijk moet zijn? Nou dan!"
"Okee. Maar als jij een zin nou begint met In de war, hoe ga jij dan bij voorkeur verder? Met …daar ben ik liever niet, of …dat ben ik liever niet?"
"Nou ja, dat laatste natuurlijk!"
"En als je begint met In de tuin?"
"Ehh…"
"Ook In de tuin, dat ben ik liever niet?"
"Eh, nee, dan zou ik toch daar gebruiken."
"Dus voor jou zijn die zinnen toch verschillend?"
"Ja inderdaad"
"En dat heeft niets met letterlijk of figuurlijk te maken?"
"Eh, nee, niet dat ik zo kan zien"
"En dan nog eens wat: moet je grammaticalessen hebben gehad om dit aan te voelen?"
"Nee, dat dacht ik niet. Ik denk dat iedereen hetzelfde taalgevoel heeft in dit geval"
"Kijk, maar dan is er dus toch wel een reden om een verschil te maken tussen die twee zinnen."
"Ja, daar heb je wel gelijk in. Maar hoe zit dat dan?"
"Nou, in de tuin zijn is blijkbaar iets wat je "doet", dus dat is werkwoordelijk. Aan de andere kant, in de war zijn is niet iets wat je doet. In de war is iets wat je bent."
"Jaja"
"Als je aanneemt dat de taal een basisonderscheid tussen doenzinnen en zijnzinnen maakt, dan is duidelijk dat deze twee in verschillende klassen vallen."
"Hmhm"
"En dat is niet door taalkundigen verzonnen of zo, blijkbaar werkt het gewoon zo. De taalkundige ontleding maakt je alleen maar bewust van het verschil"
"Nounou"
"Oppervlakkig gezien lijken die twee zinnen op elkaar omdat ze allebei zijn bevatten"
"Maar zijn er dan twee werkwoorden zijn in het Nederlands?"
"Dat is één manier om ertegenaan te kijken. zijn met een plaatsbepaling betekent iets als "zich bevinden". in veel talen heb je daar ook echt een ander werkwoord."
"Jaja. Goh. Ja. Leuk voorbeeld!"

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen