vrijdag 10 maart 2006

Geen toekomst




In een vorige log had ik het over werkwoordstijden. Daarin had ik het ook over de toekomende tijd, en ik merkte daar op dat het Nederlands geen mogelijkheden heeft om in een werkwoordsvorm uit te drukken dat iets in de toekomst plaatsvindt. Dat kan in andere talen wel (het Latijn, het Frans), maar in het Nederlands moet je door andere woorden uitdrukken dat iets in de toekomst zal plaatsvinden. Bijvoorbeeld Het regent morgen.


Nu zijn er veel grammaticaboekjes waarin naast de verleden en de voltooide tijd, ook een toekomende tijd in het Nederlands wordt aangenomen. Die zou dan zijn uitgedrukt in het hulpwerkwoord zullen, en in modern taalgebruik in het hulpwerkwoord gaan: het zal regenen of het gaat regenen. Maar klopt dat wel?


Als het goed is, zou een toekomende tijd moeten betekenen dat de gebeurtenis plaatsvindt na het moment van spreken. Dat is voor de gegeven voorbeelden inderdaad heel waarschijnlijk, maar wat betekent dan het zal zondag geregend hebben? In deze zin is die zogenaamde toekomende tijd gecombineerd met een voltooide tijd. Dat kan inderdaad slaan op een zondag in de toekomst, en dan is de regen opgehouden (voltooid) vóór die zondag, maar het is ook heel goed mogelijk om deze zin te begrijpen als de uitspraak dat het heel waarschijnlijk is dat het afgelopen zondag regende. De regen is dan afgelopen vóór het moment van spreken, dus in het verleden. Hoe kan dat?


Blijkbaar kun je het werkwoord zullen in ieder geval opvatten als een modaal hulpwerkwoord (zie daarvoor deze log), dat een sterke waarschijnlijkheid uitdrukt. De betekenis komt dan overeen met iets als vast en zeker. Maar kan dat dan niet altijd? Betekent Het zal regenen dan niet gewoon altijd Het regent vast en zeker? In dat geval is er geen reden om dit te beschouwen als een aparte toekomende tijd.


Een soortgelijke redenering gaat op voor het werkwoord gaan: wat betekent het ging zondag regenen? Volgens mij dat het begin van de regen plaatsvond op een zondag in het verleden. Maar dan is gaan dus geen toekomende tijd, maar een hulpwerkwoord dat gaat over een tijdsaspect, namelijk het begin van het regenen.


Als je zegt Het gaat zondag regenen is er geen sprake van een verleden tijd, dus het gaat niet per se over een zondag in het verleden. In principe kan deze zin over elke zondag gaan. Dat klopt ook. Zet er maar het woordje vaak bij: Het gaat zondag vaak regenen. Dit gaat heus niet per se over een zondag in de toekomst. Niks toekomende tijd dus.


Als je een verleden tijd aanneemt, én een voltooide tijd, én een toekomende tijd, dan krijg je daarmee acht verschillende combinaties. In sommige grammatica's staan ze alle acht opgesomd, van onvoltooid tegenwoordige tijd tot voltooid verleden toekomende tijd. Dat lijkt me te ingewikkeld.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen