zondag 9 december 2007

Verhinderd want bedekt met bladeren




Twee dezelfde vragen binnen een paar dagen, dat kan geen toeval zijn! Eentje in de vragenrubriek van deze site, eentje op de mailinglijst voor docenten Nederlands. Nou ja, dezelfde vragen, ze gingen over andere zinnetjes, maar de kwestie is dezelfde.

De ene vraag luidde: wat is de ontleding van de zin De man is verhinderd? En de andere: wat is de ontleding van De straat was bedekt met bladeren? Allebei de vragen kunnen op dezelfde manier worden beantwoord. De centrale vraag is: wat is de tijd waarin de zin staat?

Eerst de makkelijke: De man is verhinderd. Dat is een zin met werkwoord zijn en een voltooid deelwoord. Zo'n zin kan theoretisch twee ontledingen hebben: naamwoordelijk gezegde, als zijn een koppelwerkwoord is en het voltooid deelwoord gebruikt is als een bijvoeglijk naamwoord. Of lijdende vorm, als zijn een hulpwerkwoord van de lijdende vorm is. In dat laatste geval is zijn eigenlijk hulpwerkwoord van tijd, en het hulpwerkwoord geworden is weggebleven.

Er is natuurlijk een betekenisverschil tussen beide ontledingen, maar belangrijker is dat er ook een tijdsverschil is: de naamwoordelijke lezing staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd (OTT), en de werkwoordelijke (lijdende vorm-) lezing is voltooid tegenwoordig (VTT).

Dat verschil in tijd is heel goed zichtbaar te maken met een tijdsbepaling als zaterdag. Die bepaling kan naar twee tijden verwijzen: bij een verleden tijd is het afgelopen zaterdag (zaterdag was ik jarig), bij een tegenwoordige tijd aanstaande zaterdag (zaterdag ben ik jarig). Bij een voltooide tijd is afgelopen zaterdag de meest waarschijnlijke lezing (zaterdag ben ik jarig geweest), maar met extra context kun je vaak ook de andere lezing krijgen (zaterdag ben ik al jarig geweest, want ik ben vrijdag jarig).

Hoe zit het bij De man is verhinderd? Dat wordt Zaterdag is de man verhinderd. Nou, zeg het zelf maar. Kan dat afgelopen zaterdag zijn? Misschien wel, maar het is wel heel onwaarschijnlijk. Dat betekent dat de lezing die bij de tegenwoordige tijd hoort, zich het meest opdringt. Maar dan kan het dus ook geen lijdende vorm zijn, want dan had juist de lezing afgelopen zaterdag het meest waarschijnlijk moeten zijn. Dus is het een naamwoordelijk gezegde.

En nu de tweede zin: De straat was bedekt met bladeren. We moeten nu in ieder geval eerst het werkwoord zijn in de tegenwoordige zin zetten om de zin goed te kunnen beoordelen: De straat is bedekt met bladeren. Met zaterdag erbij krijg je dan: Zaterdag is de straat bedekt met bladeren. Nu lijken me beide lezingen wel acceptabel. Je kunt de zin heel goed opvatten als een beschrijving van wat er afgelopen zaterdag gebeurd is, maar ook als een voorspelling voor de toestand van aanstaande zaterdag. Dat wijst erop dat nu de voltooide lezing wel degelijk aanwezig is, en dat een ontleding als lijdende vorm tot de mogelijkheden behoort.

Betekent dit nu dat De straat was bedekt met bladeren per se werkwoordelijk is? Nee, zeker niet. Als je zaterdag als aanstaande zaterdag opvat, dan is er een klein verschil tussen de naamwoordelijke lezing en de werkwoordelijke (voltooide) lezing: Als je bedoelt dat de straat tijdens de volgende week zaterdag met bladeren bedekt is, heb je alsnog de naamwoordelijke lezing. De werkwoordelijke lezing is de voorspelling dat de bedekking van de straat met bladeren de volgende week zaterdag voltooid is. Naar mijn taalgevoel (maar met meer context wordt het duidelijker) zijn naamwoordelijke en werkwoordelijke lezing hier ongeveer even waarschijnlijk.

En die gekke woordgroep met bladeren? Is dat een voorzetselvoorwerp? Nee, dat is het zeker niet. In iets met bladeren bedekken is met bladeren een "gebruiksbepaling," die in dit geval aangeeft welk materiaal er is gebruikt. Iemand (of iets) bedekt de straat, en maakt daarbij gebruik van bladeren. Zie ook deze discussie. Eventueel zou je in de naamwoordelijke lezing bedekt met bladeren bij elkaar kunnen nemen, maar ook dan is met bladeren een (interne) bijwoordelijke bepaling.

8 opmerkingen:

  1. @ verhinderdwantbedektmetbladeren
    Een vraag n.a.v. uw volgende zin:
    'wat is de tijd waarin de zin staat?'
    Het 'wat' valt mij zo op - hoort hier bij 'tijd' niet 'welke'?
    Dus bijv. 'in welke tijd staat de zin?'
    ('wat is de tijd' klinkt meer zoals het verengelste vragen naar hoe laat het is > 'what is the time'?)
    Am I right or wrong? cherdt

    BeantwoordenVerwijderen
  2. @cherdt: I don't think so. Het gebruik van 'welke' in deze zin ('welke is de tijd waarin de zin staat') is zeer gemarkeerd, en roept de speciale betekenis op dat er een context is waarin je verschillende concrete tijden ter beoordeling krijgt, en dan de vraag 'Welke (van die tijden) is de tijd waarin de zin staat'. (zie http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1318/ waarin dit voorbeeld, met de zin 'wat/welke is je lievelingskleur?' wordt toegelicht).
    Het vragend voornaamwoord 'wat' is standaard, ook als het om een de-woord gaat. Ik noem voor de vuist weg maar een paar keiharde voorbeelden: 'Wat (niet: welke) is de beste manier om dat te doen?', 'Wat is een goede strategie hiervoor?', 'Wat is jouw visie op deze zaak?'
    Sommige mensen zien overal anglicismen of Engelse invloed, maar dat lijkt me in de meeste gevallen onterecht. Bedenk dat het Nederlands en het Engels zeer verwante talen zijn, die in de meeste constructies vergelijkbare ontwikkelingen hebben doorgemaakt. En dat geldt voor meer verwante talen. Ook in het Duits is het volkomen normaal om te zeggen: 'Was ist der Unterschied?'
    Overigens: 'In welke tijd staat deze zin?' is natuurlijk ook een prima zin. Maar niet de enige die hier mogelijk is.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Hallo Taalprof,
    Ik zit met de volgende kwestie naar aanleiding van het bovenstaande:
    Tijdens mijn opleiding heb ik zinnen leren ontleden naar het volgende principe: er is een hulpwerkwoord en een koppelwerkwoord/zelfstandig werkwoord. In de zin: "was bedekt met bladeren" kan er met die regel geen sprake zijn van een naamwoordelijk gezegde, omdat 'bedekt' het belangrijkste werkwoord is, een zelfstandig werkwoord, (bedekt hoort immers niet bij de koppelwerkwoorden) en 'was'dus het hulpwerkwoord.
    Is mij iets verkeerds aangeleerd?

    BeantwoordenVerwijderen
  4. @Marit: wat je aangeleerd is, klopt wel, maar het is niet volledig. Bij een voltooid deelwoord is het altijd de vraag of het wel gebruikt is als een werkwoord. Een voltooid deelwoord kan namelijk ook gebruikt worden als een bijvoeglijk naamwoord. Dat is helemaal duidelijk in gevallen als 'De verborgen camera' of 'Een verhinderd man' of 'De met bladeren bedekte straat'. In het laatste geval kun je aan de verbuiging zien dat het niet (meer) om een werkwoord gaat.
    Maar als een voltooid deelwoord als een bijvoeglijk naamwoord gebruikt kan worden, kun je er dus ook een koppelwerkwoord bij zetten, net als bij de meeste andere bijvoeglijke naamwoorden. Dat betekent dat 'De man is verhinderd' (of 'De straat is bedekt') in principe twee ontledingen kan hebben: koppelwerkwoord met een als bijvoeglijk naamwoord gebruikt voltooid deelwoord, of hulpwerkwoord van de lijdende vorm met een werkwoord in de vorm van een voltooid deelwoord. Het verschil? De naamwoordelijke lezing is tegenwoordige tijd, de werkwoordelijke lezing is voltooide tijd. En dat is detecteerbaar.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. Beste Taalprof,
    Je schrijft in de tweede alinea: "Allebei de vragen kunnen op dezelfde manier worden beantwoord." Is 'allebei' + 'dezelfde' niet dubbelop?

    BeantwoordenVerwijderen
  6. @rutger: ik vind van niet: Als ik had geschreven 'De vragen kunnen op dezelfde manier worden beantwoord' was dat dubbelzinnig geweest, nietwaar? Dan had ik kunnen bedoelen dat elke vraag afzonderlijk op een en dezelfde manier kan worden beantwoord, of dat de twee vragen samen beantwoord kunnen worden, op dezelfde manier als eerder in de context zou zijn genoemd.
    Het woord 'allebei' is dus wel degelijk functioneel. Het geeft aan dat de vragen elk een afzonderlijk antwoord krijgen.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. O, het is ook zeker functioneel. Ik heb alleen het idee dat het vaak dubbelop is. Een beter voorbeeld daarvan is: 'Beiden zijn ze even groot', een zinnetje uit de tune van een of andere verschrikkelijke tekenfilmserie uit de jaren tachtig. In diezelfde tune zit ook de zin 'Samen zijn ze even groot'. Dat kan al helemáál niet.

    BeantwoordenVerwijderen