maandag 4 september 2006

Ontleedoefening



Let op! Een ontleedoefening, om je kennis van de grammatica te testen. Zoek het onderwerp in de volgende zinnen. Hint: het onderwerp staat schuingedrukt:

  • Deze oefening is erg eenvoudig.
  • Ongeïnteresseerd maakte de leerling de ontleedoefening.
  • Mij wordt nooit eens opgedragen om dit goed uit te leggen.
  • Maak jij nog maar eens een extra oefening!
  • Waarom verbaasden de docent de vele goede antwoorden?

Jezus, wat flauw! Wat wil de taalprof met deze "oefening" bereiken?

Vind je dit echt zo flauw? Waarom ben je dan wel voortdurend zelf op zoek naar stomme ezelsbruggetjes waarmee je het onderwerp kunt aanwijzen zonder dat je snapt waar je mee bezig bent? Wat heeft het in vredesnaam voor nut om het onderwerp te kunnen vinden als je geen flauw benul hebt van wat een onderwerp nou eigenlijk is?


Je zult het toch wel met me eens zijn dat je van de bovenstaande "oefening" niet veel kunt leren. Nou, wat leer je dan van een ezelsbruggetje dat je zonder na te denken kunt toepassen?


De enige manier om van de bovenstaande zinnen iets te leren is je af te vragen waarom het schuingedrukte zinsdeel het onderwerp is. En let op: dat zinsdeel is niet het onderwerp omdat het schuingedrukt is!


Hetzelfde geldt als je bijvoorbeeld het ezelsbruggetje hebt geleerd dat het onderwerp altijd naast de persoonsvorm staat (wat trouwens niet eens klopt, zie de derde en de vijfde zin). Een zinsdeel is nooit het onderwerp omdat het naast de persoonsvorm staat. Evenmin is een zinsdeel het onderwerp omdat het in getal overeenkomt met de persoonsvorm. Al die ezelsbruggetjes zoomen in op een symptoom. Denk maar aan een ziekte waar je rode vlekjes van krijgt. Je kunt niet zeggen dat iemand de mazelen heeft omdat hij rode vlekjes heeft. Rode vlekjes vormen een van de symptomen van de mazelen.


Testjes kunnen handig zijn om je aanwijzingen op te leveren. Maar vertrouw nooit op één testje, en houd in het oog wat het zinsdeel dat je zoekt precies inhoudt. In geval van het onderwerp: dat is het zinsdeel dat doet of is wat het predicaat (het gezegde plus eventuele voorwerpen) betekent. In de eerste zin is bijvoorbeeld de oefening datgene wat eenvoudig is. En in de laatste zijn de vele goede antwoorden de dingen die iets doen, namelijk de docent verbazen.


Alleen de derde zin is wat dat betreft een beetje lastig. Het predicaat is mij opgedragen worden. Misschien vind je het moeilijk om hiervan te zeggen of dit nou doen of zijn is. Eigenlijk zou je zeggen dat het gedaan worden is, maar als je echt moet kiezen tussen doen en zijn, moet je toch toegeven dat gedaan worden eerder iets is dat iets doet dan dat iets is. Nou ja, in dat geval is dat iets dat opgedragen wordt, duidelijk: dat is om dit goed uit te leggen. Wat ik hierbij hopelijk gedaan heb.

3 opmerkingen:

  1. Nou, ik denk dat deze zinnen ervoor gedacht zijn regeltjes op te kunne stellen hoe ik naar het onderwerp moet vragen om het te herkennen.
    Dus:
    1. Wie of wat is heel eenvoudig?
    2. wie of wat maakte de oefening ongeïntereseerd?
    3. Wie of wat werd me nooit opgedragen?
    4. Wie of wat zul nog een extra oefning maken? Hmm.. maar kan ik heir niet ook kunnen vragen: Wie of wat moet je maken??
    5. Wie of wat verbaasde de docent?

    BeantwoordenVerwijderen
  2. @Elimsypah: je kunt dit soort regeltjes wel toepassen, maar het is beter dat je begrijpt hoe het komt dat die regeltjes meestal het onderwerp aanwijzen (maar niet altijd). Dan hoef je ook niet op één regeltje te vertrouwen, maar dan kun je verschillende regeltjes naast elkaar gebruiken.
    Jouw regeltje 5 is wat dat betreft wel aardig. Jij zegt: "Wie of wat verbaasde de docent?" Maar die vraag kun jij alleen maar stellen omdat jij al weet dat "de docent" NIET het onderwerp is. Anders had je ook kunnen vragen: "Wie of wat verbaasden de goede antwoorden?" En die vraag wijst niet het onderwerp aan.

    BeantwoordenVerwijderen