dinsdag 4 april 2006

Tarantino in de taal



Filmregisseur is een moeilijk vak. Zelfs het voorbereiden en het opnemen van één enkele scène is al een hele klus, waarbij je aan duizendenéén dingen moet denken. Toch is dit allemaal kinderspel vergeleken bij wat je moet doen om een zinnetje te maken.


Als je een scène uit een film wilt opzetten, dan moet je je eerst afvragen wat je in die scène wilt uitbeelden: gebeurt er iets, of wil je alleen maar uitdrukken dat iets het geval is (bijvoorbeeld: meisje ongelukkig, man boos, mensen in de war, stad in puin)? Dat komt overeen met de keuze tussen een werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde. In een werkwoordelijk gezegde gebeurt er iets, een naamwoordelijk gezegde drukt alleen uit dat iets het geval is (of is geweest, of zal zijn, of begint te zijn, of lijkt te zijn, enzovoorts).



Wil je alleen uitbeelden dat iets het geval is, dan is een minimale aankleding van de scène voldoende: je moet aangeven wat het geval is (ongelukkig, boos, in de war, in puin), en op wie of wat dat van toepassing is. Dat zijn de twee zinsdelen naamwoordelijk deel en onderwerp. Dat onderwerp hoeft trouwens niet altijd een persoon of een ding te zijn (bijvoorbeeld in vergissen is menselijk, en soms is het helemaal zonder betekenis (het is mistig). Toch moet het er wel bij staan.

Kies je voor een actiescène (er gebeurt iets), dan heb je veel meer variatie. Iets kan veranderen of bewegen (bijvoorbeeld ontploffen), iemand kan iets doen, de mogelijkheden zijn eindeloos. Natuurlijk kies je eerst, wát er precies moet gebeuren. Bij het maken van een zin kies je daarvoor het (zelfstandige) werkwoord.

Afhankelijk van wat je voor actie kiest heb je in je scène bepaalde personen en attributen nodig.


Stel dat je als actie uitreiken kiest, dan heb je iets nodig dat uitgereikt wordt (bijvoorbeeld een medaille), een persoon die dat ding uitgereikt krijgt (bijvoorbeeld de winnaar van een koers) en degene die de uitreiking uitvoert (bijvoorbeeld de plaatselijke burgemeester).


Als regisseur organiseer je vervolgens de setting van je scène: hoewel de drie "deelnemers" aan de actie door het type actie bepaald zijn (in dit geval "uitreiken"), kun je er soms voor kiezen om een van die deelnemers niet in beeld te nemen. Bij het maken van een zin kun je bijvoorbeeld zeggen De plaatselijke burgemeester reikte de medaille uit. Als je goed laat zien dat het om uitreiken gaat, is het voor je toeschouwers toch wel duidelijk dat er iemand moet zijn die de medaille krijgt.


Dan gaat het erom: hoe is de camera-instelling? Heb je een neutrale opstelling, waarbij je van een afstand het hele gebeuren in beeld neemt, of doe je dat vanuit het perspectief van een van de deelnemers? Bij het construeren van een zin kun je het perspectief van de medaille kiezen (De medaille werd door de plaatselijke burgemeester aan de winnaar van de koers uitgereikt) of juist het perspectief van de winnaar: De winnaar van de koers kreeg van de plaatselijke burgemeester de medaille uitgereikt.


In combinatie daarmee kun je een van de deelnemers wat sterker aanlichten. Daardoor komt deze wat meer in focus te staan. Meestal zul je dat gelijk laten lopen met het perspectief, maar voor een bijzonder effect kan het ook anders.


In een zin doe je zoiets met klemtonen, of door vooropplaatsing van een zinsdeel. Bijvoorbeeld Door de plaatselijke burgemeester werd aan de winnaar van de koers een medaille uitgereikt. Het perspectief is hier vanuit de medaille (die is het onderwerp van de zin), maar de burgemeester is in focus (staat voorop). Bij de zinsontleding wordt het zinsdeel in focus vaak gezien als het onderwerp, en dat is wel de standaardcamera-instelling, maar soms is het dus anders. Een goede regisseur ziet dat natuurlijk meteen.


Met deze overwegingen is de basis van je scène bepaald. Of je nou gekozen hebt voor een naamwoordelijk of werkwoordelijk gezegde, voor sfeerbeeld of actie, de noodzakelijke ingrediënten zijn bij elkaar geroepen en in de scène opgesteld.


Vervolgens kun je je creativiteit loslaten op het "aankleden" van de set.

Zo kun je duidelijk maken waar iets gebeurt (of het geval is), wanneer het is, wie of wat er allemaal nog meer bij is, enzovoorts. In de taal doe je dat met allerlei bijwoordelijke bepalingen. Bijvoorbeeld: In de stromende regen werd op de Dam in Amsterdam aan de winnaar van de koers door de plaatselijke burgemeester voor het oog van tienduizenden toeschouwers een medaille uitgereikt. Je kunt het zo gek niet verzinnen of je kunt het erbij proppen. Nadeel is wel dat al die toevoegingen al snel afleiden van waar het om gaan. Een goede regisseur is spaarzaam met details die er niet zo toe doen.


Wat bij het maken van films heel lastig is, maar in taal weer heel erg eenvoudig, is om de mening van de regisseur duidelijk tot uitdrukking te laten komen. De taal heeft daar heel veel, en heel subtiele middelen voor. Vergelijk bijvoorbeeld De winnaar kreeg toch nog een medaille uitgereikt met De winnaar kreeg eindelijk een medaille uitgereikt of De winnaar kreeg jammer genoeg een medaille uitgereikt. Die kleine toevoegingen (de modale bepalingen) geven precies weer hoe je als spreker over deze gebeurtenis denkt (je had het niet verwacht, je had het al eerder verwacht, of je vond het maar niks).


Zo zie je dat je in taal niet minder, en zelfs nog meer mogelijkheden hebt dan een filmregisseur. En dat gaat dan nog alleen om één scène! Het wordt helemaal leuk als je al die scènes ook nog aan elkaar gaat monteren. Dan heb je in de taal de keuze uit allerlei voegwoorden (omdat, terwijl, zodat, toen, voordat, enzovoorts) en constructies (onderschikking, nevenschikking, beknopte bijzinnen, bepalingen van gesteldheid). Maar daarover een andere keer. Eerst maar eens oefenen op een enkele scène.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen