Posts tonen met het label Bepaling van gesteldheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bepaling van gesteldheid. Alle posts tonen

vrijdag 16 maart 2012

Perplexe taalprof proeft plots potsierlijke prophecy


Ja nou doe ik het zelf ook! Zojuist gebruikte een reageerder de zin Heeft het gesmaakt? en ik dacht meteen: daar zou ik eerder aanvullen Heeft het goed gesmaakt? en niet Heeft het lekker gesmaakt? Is er dan toch iets mis met lekker smaken? Of is het een self fulfilling prophecy? Dat ik uit empathie me allerlei taalgevoelens ga zitten inbeelden?

Smaken verschillen



Gisteren besprak ik een tweetwisseling tussen @Tjanne, @Onzetaal en @fonolog. @Tjanne vond de taalvorm lekker smaken aanvankelijk heel erg fout, maar liet zich overtuigen door @Onzetaal dat er niets mis mee was. Daarop merkte taalkundige @fonolog een verschil op tussen lekker ruiken en lekker smaken, aldus suggererend dat er toch een basis was om lekker smaken fout te vinden. Dat vond ik een interessante observatie, maar de suggestie leek mij onterecht (en, zo dacht ik, ook onbedoeld).

Nu neemt @fonolog die niet geworpen handschoen op in zijn dagelijkse column in het tijdschrift Neder-L. Hij had het toch een beetje zo bedoeld.

donderdag 15 maart 2012

De smaak van lekker


Op vrijdag de 13e kun je beter niet de weg op gaan, want dan heb je een grotere kans dat je iets overkomt. Er is geen enkele aanwijzing dat de toevallige samenloop van een weekdag met een zoveelste dag van de maand een oorzaak kan vormen voor het optreden van ongelukken, maar het volksgeloof is hardnekkig. Zelfs mensen die dit erkennen hebben nog de neiging om toch verklaringen te bedenken waarom er toch een sprankje waarheid in de onzinbewering zou kunnen zitten: misschien zijn er meer bijgelovige mensen op de weg, die overdreven goed opletten en daardoor ongelukken veroorzaken. Ik weet bijna zeker dat er lezers zijn die bij deze verklaring denken: "Hee, ja daar zit toch wat in!"

dinsdag 24 januari 2012

Wie leest zichzelf taalkundige?



Vaak hoort de taalprof in de taalwereld de mooiste taaluitingen zomaar in het wild voorbijkomen. De ingewikkeldste constructies duiken op in de meest onverwachte contexten. Zo hoort hij nu al de hele week af en toe een reclameslogan langskomen voor een talentenjacht op de commerciële televisie. Die luidt: Wie zingt zichzelf miljonair. Wat is daar bijzonder aan?



Nou ja, niks bijzonders eigenlijk. Maar een mooi exemplaar van een constructie waar je in de gewone zinsontleding eigenlijk weinig mee aankunt. Ga maar na: in Wie zingt zichzelf miljonair moet je zichzelf als lijdend voorwerp benoemen en miljonair als bepaling van gesteldheid. Niet zo heel moeilijk, maar wel onbevredigend. Waarom?

Het werkwoord zingen kan heel goed een lijdend voorwerp hebben. Dat kun je wel weglaten (Zij zingt best goed), maar als je zingt, zing je altijd iets. Het lijdend voorwerp is altijd in gedachten aanwezig. Maar wacht eens even: in jezelf miljonair zingen is jezelf helemaal niet dat iets wat je zingt! Hoe zit dat?

Eerst even dat miljonair. Dat heeft hier de betekenis van een eigenschap of een toestand die je bereikt als gevolg van het zingen. In taalkundige termen: miljonair is een predicatie bij zichzelf. Het hoeft ook niet per se zichzelf te zijn. Je kunt ook iets hebben als Hij zingt zijn erfgenamen miljonair. Die zin betekent dat hij zo goed of succesvol zingt dat zijn erfgenamen miljonair worden.

Die predicatie, dat is, eenvoudig gezegd, een soort verborgen naamwoordelijk gezegde met zichzelf (of zijn erfgenamen) als onderwerp en miljonair als naamwoordelijk deel: hij zingt, en daardoor wordt hijzelf (of zijn erfgenamen) miljonair. In de zinsontleding is dat een normale constructie met bepaling van gesteldheid. Meer precies wordt dit ook wel een resultatieve werkwoordbepaling genoemd, omdat het miljonair zijn het gevolg zijn (of het resultaat) van het zingen.

Interessant is dat je in plaats van miljonair niet alleen andere predicaten kunt hebben (Wie zingt zichzelf schatrijk? bijvoorbeeld), maar ook plaatsbepalingen (Wie zingt zichzelf op het podium). Dat is niet zo vreemd, want dat heb je bij naamwoordelijke gezegdes ook: bij de meeste koppelwerkwoorden kun je ook plaatsbepalingen zetten, en in de traditionele zinsontleding benoem je het gezegde dan als werkwoordelijk (omdat het dan niet zegt wat je bent, maar waar je bent). Waarom is het dan interessant? Wel, omdat de plaatsbepaling in deze zin een duidelijke richtingsbepaling wordt. Als je zegt Wie zingt zichzelf op het podium? dan heb je het over de plaats waar iemand zichzelf naartoe zingt. Je zegt niet Wie zingt zichzelf daar? maar Wie zingt zichzelf daarheen?. Een richtingsbepaling is de ruimtelijke tegenhanger van de resultaatbepaling. Bij de resultaatbepaling gaat het om de toestand die het resultaat is, en bij de richtingsbepaling is het de plaats die het resultaat is. Wat zie je hieraan? In de constructie Wie zingt zichzelf miljonair? wordt er door de constructie (iemand dingest zichzelf dinges) een resultaatbetekenis opgeroepen.

Maar nu dat lijdend voorwerp. De analyse in de voorgaande alinea's laat zien dat zichzelf eigenlijk het onderwerp is van een soort minizin zichzelf wordt miljonair. En die zin is eigenlijk een soort resultaatbepaling bij Wie zingt: Wie zingt zo, dat hij miljonair wordt?. In die ontleding is dat hij miljonair wordt bijwoordelijke bijzin (sluit aan op zo), en het lijdend voorwerp van zingt blijft ongenoemd. Waarom ontleden we de zin Wie zingt zichzelf miljonair? ook niet zo? zichzelf miljonair als een soort
beknopte bijwoordelijke bijzin?

Allereerst zou dit een uitzonderlijke bijzin zijn: geen gezegde met werkwoorden (andere beknopte bijzinnen hebben altijd een werkwoord), en juist wel een onderwerp (andere beknopte bijzinnen hebben nooit een onderwerp). Bovendien kan zichzelf eigenlijk geen onderwerp zijn. Kortom: het zou een heel uitzonderlijke ontleding worden.

Maar kunnen we zichzelf dan niet beter geen lijdend voorwerp noemen? Het is immers niet wat je zingt? Maar ook daar is wel iets op aan te merken. Zo kun je bijvoorbeeld het "echte" lijdend voorwerp bij zingen in deze constructie niet toevoegen. Je kunt niet iets zeggen als Wie zingt zichzelf een liedje miljonair, in welke volgorde dan ook (Wie zingt zichzelf miljonair een liedje?). Het lijkt erop dat zichzelf in ieder geval wel de positie van het lijdend voorwerp inneemt.

Maar er is nog iets. Misschien vindt niet iedereen het acceptabel, maar je kunt je ook een zin voorstellen als Wie werden er in vorige jaren allemaal miljonair gezongen?). Zelfde constructie, zelfde betekenis. Maar nu heb je een lijdende vorm, en het onderwerp, dat zijn degenen die miljonair werden. Maar dat is een goed argument om te zeggen dat het zinsdeel in de actieve zin lijdend voorwerp is.

Lost de moderne taalkunde deze puzzel op? Jawel: die zegt dat zichzelf eigenlijk het onderwerp is van het predicaat miljonair, maar de positie van het lijdend voorwerp inneemt. Het is dus beide tegelijk. In de eenvoudige zinsontleding moet je een keuze maken. Lijdend voorwerp is dan de beste keuze.

donderdag 30 december 2010

Jan Smits geld is niet aan vriendschap besteed



Jan Smit zingt het zelf: "Wat een vriend aan mij kan geven is geld niet aan besteed." Taaltwitteraar Eric Tiggeler, luisterend naar de Top 2000 op Radio 2, merkte hierover op: "Lesje grammatica zou aan Jan wel besteed zijn." Dat is een opmerking volgens een beproefd schoolmeestersprocédé: verpak je taalkritiek in een snedige opmerking waarin je de verkeerd gebruikte constructie wel goed gebruikt.

Maar het is een beetje makkelijk gezegd. Want hoe zou zo'n lesje grammatica eruit moeten zien? Wat klopt er niet aan de tekst uit het liedje?

maandag 22 september 2008

Als taalprof zijnde moet je wel



Ha, weer eens discussie! Mijn opmerkingen over het "contaminatiestempelen" hebben geleid tot een discussie over de grammaticale analyse van als X zijnde, een van de schoolvoorbeelden van een contaminatie. Ik stelde dat ter discussie. Volgens mij kun je als X zijnde veel beter verklaren vanuit de ontleding. Wanneer als X de functie heeft van een bepaling van gesteldheid, heeft het een "naamwoordelijke betekenis," dat wil zeggen dat het zinsdeel van iemand of iets zegt dat hij (of zij of het) "X is". In de zin Als muzikant bespeelde Karel meerdere instrumenten zeg je met zoveel woorden dat Karel muzikant is. Vandaar dat taalgebruikers de neiging hebben om dat naamwoordelijke karakter te verduidelijken door de toevoeging van zijnde.

Wat kan iemand hier tegen hebben?

dinsdag 16 september 2008

Het grootste gevaar voor de grammatica



Veel mensen ergeren zich vaak aan allerlei taalverschijnselen (zoals bijvoorbeeld de zin Veel mensen irriteren zich vaak aan allerlei taalverschijnselen of zoals bijvoorbeeld in plaats van alleen zoals of bijvoorbeeld). Hoe zit het met de taalprof? Of is dat weer zo'n supertolerante alles-moet-kunnentaalkundige? Nee hoor, ook de taalprof wordt het wel eens rood voor ogen. Met name ergert hij zich groen en geel aan stempeltermen.

maandag 15 september 2008

Het nut van de bepaling van gesteldheid



De Taalprof praat ook wel eens met andere mensen uit het onderwijs. Zo kwam hij laatst met een collega te spreken over schrijfonderwijs. Zij beaamde dat je daarvoor wel iets aan grammatica moest doen, maar liefst niet al te veel. De bepaling van gesteldheid bijvoorbeeld, had geen enkel nut voor het onderwijs in de taalbeheersing. Die kon gerust worden gerangschikt onder de categorie "Hoef je niet te kennen."

Toch sneu voor de bepaling van gesteldheid. Maar is het wel terecht?

donderdag 3 juli 2008

Prijs verdeelt genootschap




Nieuws van het Frits Barendgenootschap! Deze nog relatief onbekende vereniging die strijdt tegen de onnodige bepaling van gesteldheid dreigt verscheurd te worden door interne conflicten. Aanleiding vormen twee prijzen die de vereniging heeft ingesteld voor taalgebruikers die zich in positieve of negatieve zin onderscheiden door hun taalgebruik, in het bijzonder met betrekking tot de bepaling van gesteldheid.


Taalgebruikers die veel onnodige bepalingen van gesteldheid gebruiken, kunnen voortaan rekenen op het zwartkijkertje, en zij die de bepaling van gesteldheid succesvol vermijden kunnen worden genomineerd voor het goedmakertje.


Het conflict is ontstaan door de naam goedmakertje.

dinsdag 2 januari 2007

Nog één keer de bepaling van gesteldheid



Ik kan mij voorstellen dat jullie allemaal tijdens de kerstvakantie nog eens alle logs over de bepaling van gesteldheid hebben zitten lezen. De statistieken vertonen dan wel een dramatische daling van het aantal lezers, maar misschien heb je het uitgeprint en zit je er met rooie oortjes mee op de bank, dat zal het zijn.


Dan denk je misschien: Hee, klopt dat wel, wat de taalprof daar allemaal beweert over de bepaling van gesteldheid? Dat het een predicaat is, net als het naamwoordelijk deel van het gezegde? Dat je dus alle naamwoordelijke delen van het gezegde ook kunt gebruiken als bepaling van gesteldheid? Is dat wel zo?

vrijdag 29 december 2006

Geheime notulen



Nederland is een echt verenigingsland. Er bestaan talloze grotere en kleinere verenigingen, clubs, actiegroepen, belangengroeperingen, genootschappen, en gezelschappen op allerlei gebied. Een relatief onbekende club is het Frits Barend Genootschap, dat zich ten doel stelt om onnodige bepalingen van gesteldheid te bestrijden.


De taalprof wist de hand te leggen op de geheime notulen van een van de vergaderingen van deze actiegroep. Die notulen bestaan uit twee verfrommelde A4-tjes, met daarop in potlood geschreven Nog uitwerken! Alhoewel het dus niet de officiële notulen betreft meen ik, in het kader van mijn charme-offensief voor de bepaling van gesteldheid, mijn lezers dit document niet te mogen onthouden.

donderdag 21 december 2006

Bepalingen van gesteldheid in het dictee



Hoewel (omdat?) de taalprof geen verstand heeft van spelling, kijkt hij wel naar het Groot Dictee der Nederlandse Taal. Al was het alleen maar om fraaie bepalingen van gesteldheid te spotten. En het blijkt dat je tussen-ennen best totaal kunt vermijden, maar zonder bepalingen van gesteldheid gaat het echt niet.


Vier echte, één twijfelgeval, en één zinsdeel dat wij benoemen als een bijwoordelijke bepaling maar dat in diepste zin eigenlijk toch een bepaling van gesteldheid is. Dat is de oogst op acht dicteezinnen.

maandag 18 december 2006

Rare jongens, die Engelsen



Als je in een Engelse grammatica naar de term bepaling van gesteldheid zoekt, kom je bij een aantal verschillende termen uit: subject complement, object complement, en predicative adjunct. Kijk je vervolgens bij subject complement, dan vind je dat dat weer overeenkomt met wat wij naamwoordelijk deel van het gezegde noemen. Hûh? Zijn die Engelsen nou helemaal gek geworden?

zondag 17 december 2006

Slikken en spugen




Valt er eigenlijk nog wel wat te zeggen over de bepaling van gesteldheid? Is dat nu onderhand niet uitgekauwd? Ik dacht het niet! Eerder heb ik al beweerd dat je de bepaling van gesteldheid overal tegenkomt in de grammatica. Maar wist je dat bijvoorbeeld bijna alle samengestelde werkwoorden (zoals aanzetten, opbellen, weggooien) eigenlijk "ingeslikte" bepalingen van gestelheid zijn? En dat ze ook soms weer "uitgespuugd" worden?


Hè bah! Ingeslikte en uitgespuugde bepalingen van gesteldheid? Wat zijn dat nou weer?

Kun je je herinneren dat ik het ooit gehad heb over de resultatieve werkwoordbepalingen? Zo nee, het staat hier. Kort gezegd komt het hierop neer dat een resultatieve werkwoordbepaling zegt wat het lijdend voorwerp is als resultaat van het werkwoord. Het klassieke voorbeeld is: ik verf de deur groen. Dan is de deur groen als resultaat van het verven. Groen is de resultatieve werkwoordbepaling, een speciale vorm van de bepaling van gesteldheid.


Nou, veel van die resultatieve werkwoordbepalingen, vooral de kleintjes, worden vaak door de werkwoorden "ingeslikt" (een taalkundige spreekt natuurlijk van geïncorporeerd, maar dat betekent zelfs letterlijk hetzelfde). Kijk maar: in de zin ik zet de radio aan is het resultaat dat de radio aan is. In ik gooi het papiertje weg is het resultaat dat het papiertje weg is. Zelfs in ik bel jou op kun je met enige moeite nog wel de oorspronkelijke betekenis ontdekken dat jij op bent als resultaat van dat bellen. Toch noemen we in al deze gevallen aanzetten, weggooien en opbellen "samengestelde werkwoorden". En om het heel precies te zeggen: "scheidbaar samengestelde werkwoorden".


In plaats van dat kleine woordje (taalkundigen spreken hier over een partikel) kun je ook altijd een grotere bepaling van gesteldheid verzinnen: ik zet de radio op mijn favoriete zender, ik gooi het papiertje in de prullenbak, ik bel jou wakker, of ik bel jou uit bed. Zo zie je dat dat partikeltje wel door het werkwoord ingeslikt is, maar het heeft eigenlijk nog steeds dezelfde functie als die grotere bepaling van gesteldheid.


Nog leuker wordt het als je zo'n samengesteld werkwoord neemt en je zet er een paar hulpwerkwoorden bij. Dan krijg je iets als ik zou de radio graag willen kunnen aanzetten. Het partikel staat nu echt in het werkwoord. Maar het kan ook weer uitgespuugd worden: ik zou de radio graag aan willen kunnen zetten.


Waarom kan dat? Simpel: omdat de "grote" bepalingen van gesteldheid niet ingeslikt worden en dus altijd vóór die hulpwerkwoorden staan: ik zou de radio graag op mijn favoriete zender willen kunnen zetten. En niet: ik zou de radio graag willen kunnen op mijn favoriete zender zetten. Doordat het partikel uitgespuugd wordt, komt het weer op de plaats van de "gewone" bepaling van gesteldheid te staan.


Wil je het nog leuker hebben? In het algemeen Belgisch Nederlands kunnen ook gewone bepalingen van gesteldheid "ingeslikt" worden. Niet dat ze dan aan het werkwoord worden vastgeschreven, maar je krijgt wel zinnen als ik zou jou wel eens willen kunnen uit bed bellen. Het zinsdeel uit bed is geen partikel, het is een "gewone" resultatieve werkwoordbepaling, maar het wordt hier wel "ingeslikt".

vrijdag 8 december 2006

Blinde kalkoenen?



Gisteren vroeg ik jullie na te denken over de zin Biologische kalkoen blind het lekkerst, de titel van een column van Marjoleine de Vos in de NRC van 6 december. Ik zei erbij dat dat een leuke bepaling van gesteldheid was.


Het kan niet anders of je eerste gedachte was dat er sprake was van dierenmishandeling (afgezien nog van het slachten en opeten): is die biologische kalkoen blind gemaakt voordat hij gegeten wordt? Wordt hij daar lekkerder van? Dat is de eenvoudigste lezing voor deze zin. In dat geval is blind een bepaling van gesteldheid die een predicaat vormt bij het onderwerp biologische kalkoen. De kalkoen is het lekkerste als hij blind is. Maar dat was natuurlijk niet de bedoeling van het stukje.

Als je de column leest (en misschien heb je dat wel gedaan), dan zie je dat het gaat om blind proeven. Mensen die blind proeven, vinden biologische kalkoen het lekkerst. De column ging erover dat iemand die van tevoren de kalkoen gezien had, al bevooroordeeld was omdat hij de verkeerde kalkoen als biologisch, en dus waarschijnlijk het lekkerst, beoordeelde.


Het ging dus om blind proeven. In die woordgroep zou je zeggen dat blind alleen iets zegt over proeven. Het is een manier van proeven, het proeven zelf is blind. Daar is iets voor te zeggen, maar ik denk toch dat er zelfs in dat geval sprake is van een bepaling van gesteldheid. Wie blind proeft, is wel degelijk zelf "blind". Natuurlijk niet echt blind, maar de proefpersoon krijgt bijvoorbeeld het testobject niet te zien. Blind proeven is proeven terwijl je "blind" gehouden wordt. In figuurlijke zin ben je dus wel degelijk blind.


Maar hoe moet je die kop dan lezen, biologische kalkoen blind het lekkerst? Blijkbaar is de bedoeling iets als: Biologische kalkoen blind geproefd het lekkerst. In die zin is blind geproefd (alweer!) een bepaling van gesteldheid bij het onderwerp biologische kalkoen (de kalkoen is blind geproefd), en binnen die bepaling van gesteldheid is blind zelf ook weer een bepaling van gesteldheid bij het (verzwegen) onderwerp van proeven. Degene die proeft is "blind" terwijl hij proeft.


De bepaling van gesteldheid is dus een enorm efficiënt zinsdeel! Als je die zin zonder bepaling van gesteldheid zou willen formuleren zou je iets moeten zeggen als Biologische kalkoen is het lekkerst als hij geproefd wordt door iemand die blind is. En dan moet je er eigenlijk nog bij zeggen dat blind zijn in het kader van een proef iets anders betekent dan in het dagelijks leven.

donderdag 7 december 2006

Oud en blind

Even een goedkope manier om mijn charme-offensief ten behoeve van de bepaling van gesteldheid warm te houden: wisten jullie dat de taalprof al dik een half jaar geleden iets gezegd heeft over de bepaling van gesteldheid? Hij was het zelf al bijna vergeten. Maar als je de logs van de laatste weken gelezen hebt (bijvoorbeeld deze, deze, deze, deze, deze, en deze) kan het geen kwaad om nog eens terug te gaan naar dit stukje. Dat past daar prima bij. Zeker als je het toen niet kon volgen.

En als je dan toch bezig bent met de bepaling van gesteldheid, denk dan eens na over de zin Biologische kalkoen is blind het lekkerst. Titel van de column van Marjoleine de Vos in de NRC van 6 december. Zie je? De bepaling van gesteldheid kom je overal tegen. En hij is nooit vervelend, maar hij laat je altijd even glimlachen.

zondag 3 december 2006

Zo hebben wij dat niet geleerd!



"Hallo?"
"Hallo?"
"Spreek ik met de taalprof?"
"Ja, daar spreekt u mee."
"Goedemiddag, u spreekt met Den Hertog, ik wou het eens even met u hebben over dat artikeltje, dat, ehh, dat weblogje, of hoe noemt u dat tegenwoordig, over die bepaling van gesteldheid."
"Aha. Wat wilt u daarover opmerken dan?"
"Ik heb vijfenveertig jaar in het onderwijs gezeten, en ik heb die woordgroep zonder make-up nog nooit een bepaling van gesteldheid genoemd. Ik heb mijn leerlingen altijd geleerd dat dit een bijwoordelijke bepaling is."
"Een bijwoordelijke bepaling."
"Inderdaad! Een bijwoordelijke bepaling van omstandigheid, om precies te zijn, maar zo precies wordt dat de jeugd van tegenwoordig niet meer uitgelegd, helaas!"
"Jaja. Ik snap het. Maar hoe komt u daarbij, om dit een bijwoordelijke bepaling van omstandigheid te noemen?"
"Dat heb ik geleerd van mijn oudoom, die dat in 1892 in een heel bekende schoolgrammatica heeft opgeschreven. Elke grammaticamethode van de afgelopen honderd jaar baseert zich op die grammatica. Dus u zit hier echt fout, hoor!"

Zonder make-up, maar met bepaling van gesteldheid



De taalprof heeft een antenne voor leuke bepalingen van gesteldheid. Gisteravond had hij op de achtergrond het kunstprogramma Opium op radio 1 aanstaan, waarin regisseur Deborah van Dam het had over haar nieuwe film over Liesbeth List. Hij zat maar half te luisteren, maar ineens hoorde hij de filmmaakster zeggen: "Ik zei tegen haar: ik wil jou zonder make-up filmen."


Het klinkt een beetje flauw, maar zijn eerste gedachte was: wat maakt het nou uit of zij make-up opheeft terwijl zij Liesbeth List filmt? Maar dat was natuurlijk niet de bedoeling van de uitspraak. Hoe zit dat?


De dubbelzinnigheid van Ik wil jou zonder make-up filmen is typisch voor een bepaalde soort bepaling van gesteldheid: de zogeheten predicatieve toevoeging. Wat is een predicatieve toevoeging?


Alles wat je van iemand of iets zegt, alles wat iemand of iets is of doet, is een predicaat. Zeg je Sinterklaas kucht, dan zeg je dat Sinterklaas iets doet (namelijk kuchen). Kucht is dan het predicaat. Dat is het werkwoordelijk gezegde. In de zin Marsepein is lekker zeg je van marsepein dat het iets is (namelijk lekker). Dat is het naamwoordelijk gezegde.


In iedere zin zit een naamwoordelijk of een werkwoordelijk gezegde. Maar daarnaast kunnen er nog talloze andere predicaten in een zin gepropt worden. In de zin Sinterklaas sprak kuchend met het bange kind zitten maar liefst drie predicaten: Wat Sinterklaas doet is praten (werkwoordelijk gezegde), het kind is bang (bijvoeglijke bepaling), én: wat Sinterklaas ook nog doet, terwijl hij met het bange kind praat, is kuchen. Dat laatste predicaat (kuchend), dat is de bepaling van gesteldheid. En daar begint de pret.


Dit type bepaling van gesteldheid zegt van Sinterklaas dat hij kucht terwijl hij met het bange kind praat. Dit type (de vrije predicatieve toevoeging) kan in veel gevallen bij twee zinsdelen horen: bij het onderwerp of bij het lijdend voorwerp.


Dat type komt voor in de zin Ik wil jou zonder make-up filmen. De woordgroep zonder make-up is een predicaat, dat bij Ik kan horen (ik ben zonder make-up) óf bij jou (jij bent zonder make-up).


In de meeste gevallen valt deze dubbelzinnigheid trouwens helemaal niet op. In dit gesprek is het wel duidelijk wat de regisseur bedoelt. Het zou ook niet zoveel nut hebben om zelf geen make-up op te doen als je iemand anders filmt, daar zien de kijkers toch niks van. Maar er is nog iets anders aan de hand.


Vergelijk eens de twee zinnen Ik trof jou zonder make-up aan, en Ik kwam jou zonder make-up tegemoet. Allebei niet dubbelzinnig, nietwaar? In de eerste zin ben jij degene zonder make-up, in de tweede zin ben ik dat. Toch valt dat niet uit de situatie af te leiden. Het is een regelmatigheid in de taal zelf. Hoe zit dat nou weer?


Allereerst: is het niet wonderlijk dat jij dit precies hetzelfde aanvoelt als ik? Toch staat het in geen enkel grammaticaboekje, en er is niemand die jou dat taalgevoel aangeleerd heeft. Het is geen voorschrift over hoe het moet, het is een regelmatigheid, die jij geheel onbewust in je kindertijd opgepikt hebt. 


Maar wat is dan die regelmatigheid? Waarschijnlijk heeft het iets met het perspectief van de zin te maken. In de zin Ik kom jou tegemoet is er sprake van een beweging van mij naar jou toe. Ik ben de bron, en jij bent het doel. In de zin Ik trof jou aan is het eerder andersom. Jouw aanwezigheid wordt door mij opgemerkt. Nu ben jij de bron, en ik het doel. Het lijkt er in beide zinnen op, dat de bepaling van gesteldheid gekoppeld wordt aan de bron.


Met ik film jou kun je twee kanten op: is dat een of andere actie van mij naar jou toe, of is er sprake van jouw beeld dat in mijn richting gaat? Kan allebei. Dus de bepaling van gesteldheid kan ook met jou of mij geassocieerd worden.


Kijk, dat is nog eens wat anders dan een saai werkwoordelijk of naamwoordelijk gezegde, of zo'n "boeiende" bijvoeglijke bepaling! Met de bepaling van gesteldheid is altijd wel wat leuks aan de hand.


Lees ook het vervolg op deze log (vooral als je denkt dat zonder make-up een bijwoordelijke bepaling is).

zaterdag 18 november 2006

De bepaling van gesteldheid, daar heb je nog eens wat aan!



Ben ik net mijn nu al geruchtmakende charmeoffensief ten behoeve van de bepaling van gesteldheid begonnen, krijg ik meteen een vraag die ik daarmee kan beantwoorden! Het gaat om de zin: Indien een verschil van mening niet langs minnelijke weg is opgelost, wordt geacht een geschil te bestaan. Wat een rare zin! Is er soms iets mee?


Hij ruikt een beetje muf, die zin. Jarenlang onder het stof gelegen in een juridisch handboek of zo. Ik haal eerst even die bijzin eruit, dat klinkt al meteen een stuk frisser: In dat geval wordt geacht een geschil te bestaan. Klinkt wel iets moderner, maar er zit hetzelfde probleem in als in de oorspronkelijke zin. Hoe zit dat dan?



Het is een lijdende vorm, nietwaar? In dat geval wordt geacht een geschil te bestaan. Wat is de actieve variant? Dat moet wel iets zijn als In dat geval acht men een geschil te bestaan. Ligt het aan mij, of klinkt die zin ineens een stuk slechter?


Het woordje achten is een uniek werkwoord in het Nederlands. Meestal komt het voor in een constructie met een bepaling van gesteldheid (hee, dat is toevallig!): wij achten u geschikt, ik acht dat goed mogelijk. In deze zinnen is geschikt en mogelijk bepaling van gesteldheid, en predicaat bij het lijdend voorwerp (u en dat). Het werkwoord achten is hier een soort formeel vinden (Wij vinden u geschikt, ik vind dat goed mogelijk).


Zo'n bepaling van gesteldheid kan maar in beperkte mate de vorm van een zin aannemen. Bij Ik maak dat mogelijk kun je niet zeggen Ik maak dat mogelijk zijn. Bij vinden kan het net wel (of net niet, voor sommige mensen): Wij vinden u geschikt zijn, ik vind dat goed mogelijk worden. Ander voorbeeld: Ik vind jou leuk lachen.


Wat vrijwel nooit kan, is een beknopte bijzin met te erbij: Wij vinden u geschikt te zijn, Ik vind jou leuk te lachen. Dat kan echt niet. Alleen bij achten dan.


Nou is het probleem dat er ongeveer één zin in het Nederlands bestaat waarin de bepaling van gesteldheid bij achten de vorm van een beknopte bijzin met te aanneemt. Dat is het spreekwoord Ieder acht zijn uil een valk te zijn. In alle andere gevallen werkt de taal deze rare constructie weg door er een lijdende vorm van te maken. Ieders uil wordt geacht een valk te zijn klinkt meteen een stuk "gewoner".

Het geschil wordt geacht te bestaan
is dus de lijdende vorm van Men acht het geschil te bestaan. In die lijdende vorm is dit geschil het onderwerp, daarover bestaat geen twijfel. Dit onderwerp kan achter de persoonsvorm komen te staan, als je de zin bijvoorbeeld met een bepaling begint: In dat geval wordt het geschil geacht te bestaan. Onmogelijk is: In dat geval wordt geacht het geschil te bestaan. Klinkt ook niet, zou ik zeggen.


In onze zin staat echter: In dat geval wordt geacht een geschil te bestaan. Dit lijkt wel een constructie met plaatsonderwerp: In dat geval wordt er geacht een geschil te bestaan. Maar dat is ook gek! In een zin met plaatsonderwerp schuift het onderwerp wel naar rechts, maar nooit over het werkwoord heen. Wel In dat geval worden er mensen aangespoord te reageren, maar niet In dat geval worden er aangespoord mensen te reageren.


Nou kan ik me er makkelijk vanaf maken door op dit punt simpelweg te zeggen: "Ongrammaticaal!". Maar dat is me toch al te gemakzuchtig. Je bent tenslotte taalprof of je bent het niet. En het is een feit dat een zin als Er wordt geacht iets te bestaan helemaal niet zo slecht klinkt. Waarom niet?


Ik denk dat het zó zit: doordat die constructie met achten en bepaling van gesteldheid in de vorm van beknopte bijzin alleen maar voorkomt in de lijdende vorm, ga je automatisch dat wordt geacht als een eenheid zien. De betekenis ondersteunt dat. Want wordt geacht heeft een zogeheten "modale betekenis", een beetje een formele vorm van schijnt. Er wordt geacht iets te bestaan lees je dus als een formele variant op Er schijnt iets te bestaan. Het wordt dan ook aanmerkelijk slechter als je iets tussen wordt en geacht in zet: Er wordt door de eeuwen heen door iedereen geacht iets te bestaan.





donderdag 16 november 2006

Taalprof geeft stemadvies



Jammer dat het een beetje te laat is, maar ik had eigenlijk een paar maanden geleden de Partij voor de Bepaling van Gesteldheid (PvdBvG) moeten oprichten. In de polls op deze website in de linkerkolom staat dit zinsdeel namelijk al maanden op een treurige laatste plaats.


Wat betekent dat? De bijbehorende vraag is: Ik heb het meeste moeite met..., heeft dus niemand moeite met de bepaling van gesteldheid? Ik vrees dat het erger is. Niemand kent de bepaling van gesteldheid. Dit zinsdeel krijgt niet eens de káns om moeilijk gevonden te worden. Dieper kun je als zinsdeel toch niet zinken. Daar moet iets aan gedaan worden!


Een tijdje geleden ontstond er in dit logje enige discussie over de constructie iets vol proppen. Een aantal mensen vonden dat hier sprake was van één werkwoord volproppen, terwijl de taalprof koos voor de bepaling van gesteldheid vol. Grote consternatie, ontevreden geluiden, waarom moet dat zo ingewikkeld, doe toch normaal, moeten we daar onze kostbare lestijd aan besteden, kortom: er bestond enige weerstand tegen de bepaling van gesteldheid. Waarom?


Ik zal de eerste zijn om toe te geven dat de bepaling van gesteldheid (en zeker de resultatieve werkwoordbepaling) zich graag tegen het werkwoord aanschurkt, en in veel gevallen sterk te indruk werkt samen met het werkwoord één woord te vormen. Iets leuk-vinden, iets kapot-maken, iets weg-sturen, iets open-maken. In al deze gevallen is het resultaat dat iets leuk is, of kapot, of weg, of open, als resultaat van wat je doet. Dat is een duidelijk predicatief verband. In sommige gevallen schrijf je dat predicaat vast aan het werkwoord, en in andere gevallen niet (en in sommige gevallen twijfel je).


Al deze gevallen lijken mij heel erg te verschillen van "echte" scheidbaar samengestelde werkwoorden. Neem nou eens de constructie iets vol-houden. In de normale lezing (werkwoord volhouden) is er toch echt geen sprake van, dat er "iets vol is", nietwaar? Die lezing bestaat wel (Hou de glazen vol, ober!), maar dan schrijf je vol en houden ook zeker los. Het verschil tussen de bepaling van gesteldheid en het samengestelde werkwoord is bij volhouden heel erg duidelijk.


Als je in al die gevallen vol-proppen, leuk-vinden, kapot-maken, weg-sturen, open-maken het predicaat als bepaling van gesteldheid ziet, dan leg je de nadruk op de inhoud van de constructie. Zie je het domweg als deel van het werkwoord, dan laat je die inhoud links liggen, en ga je af op andere, vage gevoelens: de klank, de heersende opinie, de waan van de dag (of van het woordenboek). Dat lijkt me het verschil tussen stemmen met je hoofd of met je onderbuik.


Graag zou ik ervoor willen pleiten om ook in de zinsontleding te kiezen voor de inhoud. Kies voor de bepaling van gesteldheid, want die keuze geeft veel meer inzicht in de informatie die in de zin versleuteld zit. Stem voor inhoud, stem PvdBvG!