Posts tonen met het label Voornaamwoord. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voornaamwoord. Alle posts tonen

zaterdag 18 mei 2013

De taalgebruiker heeft altijd gelijk

Op facebook maakt Bas Jongenelen zich vrolijk over een passage in De Volkskrant. Hij schrijft "De stagiaire bij De Volkskrant kan nog wel een taallesje gebruiken, want ze denkt dat 'je' de derde persoon is." Op de bijgaande foto staat een deel van een artikel waarin staat: Roman praat veel in de derde persoon. "Weer bij je ouders gaan wonen is lastig. Je voelt je buitenspel staan en minderwaardig omdat je niet in staat bent om voor jezelf te zorgen." En dan voegt Bas de typische snedige schoolmeesteropmerking toe: "Stop dit artikel maar niet in je portfolio, meid!"

woensdag 23 januari 2013

Mijn irritatie

Mooie poster van loesje.nl: Mijn: bezitterig voornaamwoord. Trouwe volgers van de taalprof zullen de woordvorming herkennen: eerder schreef de taalprof over oplezerig en wederkerig.  Hier gaat het ook om een woord dat niet in het woordenboek staat, maar de betekenis is weer volstrekt regelmatig: van bezitten een gewoonte gemaakt hebben en dat tot vervelens toe (of op het irritante af).

Het leuke van de poster is denk ik vooral dat het woord mijn hier op de hak wordt genomen. Dit woord wordt in allerlei webdiensten gebruikt: Mijn documenten, Mijn KPN, Mijn Vitens, Mijn Bankzaken, alles is tegenwoordig Mijn, om maar te benadrukken dat de dienst volledig onder je eigen controle staat. Herhaling, op het irritante af. Prachtig uitgedrukt in de term bezitterig voornaamwoord. 

De grap drijft natuurlijk ook een beetje op de vervreemding die ontstaat vanwege de vaste combinatie bezittelijk voornaamwoord. Maar wat is bezittelijk eigenlijk voor een woord? Gaat het hier om een afleiding van het werkwoord bezitten of van het zelfstandig naamwoord bezit?

woensdag 26 december 2012

Herman Finkers en ik


"Heb je laatst dat interview met Herman Finkers gelezen? Hilarisch!"
"Ik weet niet, waar was dat dan?"
"Ach je weet wel, jij hebt toch ook een KPN-abonnement?"
"KPN-abonnement?"
"Ja daar hoort zo'n blaadje bij, een soort magazine-achtige nieuwsbrief"
"Jaja. En daar stond een interview met Herman Finkers in."
"Ja man, hilarisch!"
"Hilarisch"
"Nou ja, alleen de titel dan."
"Hoe luidde die dan?"
"Die ging zo: Als ik mezelf op televisie zie, denk ik: dat kan ik ook."
"O, haha."
"Is het niet hilarisch? Dáár zou de taalkunde eens over moeten gaan."
"Maar daar gáát de taalkunde ook over!"
"Wat? Ga weg!"
"Nou ja, zo'n 30 jaar geleden dan."
"Wat? Bizar!"

[Spoiler alert! Niet lezen als je vindt dat je grappen niet moet kapotanalyseren!]

maandag 8 oktober 2012

Samen voor ons eigen

Vandaag zat de taalprof zowaar in een didactische discussie met een aanstaande docent Nederlands, die opmerkte dat zijn leerlingen in een woordgroep als die cd van haar het woord haar als een bezittelijk voornaamwoord zagen. Ja, dan heb je wel de didactiek dat je kunt zeggen dat je de vrouwelijke vorm door de mannelijke vorm moet vervangen, en dan krijg je die cd van hem en niet die cd van zijn, maar is dat niet gewoon een trucje? Zo'n leerling denkt dan "Okee hoor, wat jij wil," en past, als hij er bij de overhoring aan denkt, braaf het ezelsbruggetje toe, hooguit verbaasd over waar die taalkundigen zich allemaal druk over kunnen maken.

Nou is er natuurlijk principieel niet zoveel mis met die omzetting, want die brengt inderdaad de ware aard van het voornaamwoord aan het licht, maar toch heeft het iets onbevredigends. Wat kan dat zijn?

zondag 7 oktober 2012

Bij de dokter



Gisteren stond er op het nieuwe weblog van de taalprof een stukje dialoog, waar voor veel mensen geen touw aan vast te knopen zal zijn geweest. Het betrof een of andere spraakverwarring tussen een winkelbediende en een klant, en het ging over voornaamwoorden en woordgeslacht. Maar het was zo absurd, dat lezers zich zullen hebben afgevraagd wat de taalprof hier in vredesnaam mee wilde zeggen.

Dat kwam, de aanleiding stond er niet bij.

woensdag 13 oktober 2010

Slordige taalkritiek



De taalprof is natuurlijk geen haar beter dan al die taalcritici die overal fouten aanwijzen in andermans taalgebruik. Alleen stijgt zijn zuurgraad juist bij die taalkritiek, en niet bij het taalgebruik. Want als er nou iets is waar hij zich aan ergert, dan is het aan slordige of onterechte taalkritiek (ja ik weet het, slordige taalkritiek, dat is een pleonasme).

Gisteren twitterde taaladviseur Eric Tiggeler het volgende: "De dat-wordt-die-trend zet genadeloos door. Het Parool: 'een filiaal die dicht is'" Met een foto erbij van het citaat: http://twitpic.com/2wzslg

Onze Taal retweet het bericht, dus dan denk je, dat zit wel snor, maar nee hoor: Wie de moeite neemt om het citaat op te slaan ziet het volgende: Als een filiaal eenmaal dicht is, is die niet zomaar weer geopend. Daar staat dus helemaal niet een filiaal die dicht is.

woensdag 6 oktober 2010

Wie dit niet zint surfe naar een andere website



Mooie kop in de NRC van afgelopen vrijdag. Een citaat uit het eerste nummer van de combinatie tussen de Nieuwe Rotterdamse Courant en het Handelsblad: Wie dat niet zint neme een andere krant. Hoe oud? Nog maar veertig jaar geleden!

Niet dat dit veertig jaar geleden een gebruikelijke formulering was. Ook toen gold de zogeheten aanvoegende wijs (dat gekke neme) als een belegen vorm. Maar dat is niet het enige wat opmerkelijk is aan deze zin.

woensdag 7 juli 2010

Voornaamwoorden en inhoud



De taalprof moet nog wel een beetje wennen aan dat Twitter. Naar aanleiding van een #miniontleedles ontspon zich een kleine discussie tussen de taalprof en twitteraar gaston_dorren, die ogenschijnlijk in een bevredigende conclusie uitmondde. Maar dat is bij nader inzien toch niet helemaal het geval. Wacht, ik citeer hem in zijn geheel, op een blog heb je nou eenmaal plaats zat:

donderdag 11 februari 2010

Het gaat weer eens ergens over



Ik word hier toch wel een beetje blij van. Zo'n discussie als die van de afgelopen dagen naar aanleiding van hun hebben, de gastcolumn van Plasterk in nrc.next en de uitzending van DWDD genereert telkens een heleboel van hetzelfde: hun als onderwerp is vreselijk of het is prima, en de pejoratieven voor Helen de Hoop en Ronald Plasterk buitelden ook in een af en toe onfrisse opeenvolging over elkaar heen. Zelfs de kritiek van de taalprof werd in de links omschreven als "Taalprof hakt op Plasterk in," of soortgelijke bewoordingen.


Maar uiteindelijk komt het toch nog allemaal goed.

donderdag 2 juli 2009

Bij hun op school wel ja




Op de site van het NOS-journaal staat een berichtje over een pleidooi van staatssecretaris Van Bijsterveldt voor de invoering van centrale examens taal en rekenen voor het mbo. Er staat ook een reportagefilmpje bij. Ergens in het midden van dat filmpje zegt de commentaarstem: Maar eigenlijk vinden ze ook dat het probleem niet bij hún op school ligt.


Niks mis mee toch?

maandag 22 juni 2009

Voornaamwoordelijke verwijzing



Op het weblog van de taaladviesdienst van Onze Taal wordt onder de titel Ongelukkig dubbelzinnig de volgende tekst besproken:
Peter Plasman is één van de beste strafrechtadvocaten van Nederland.
Zijn kantoor staat betalende klanten bij en doet pro-Deozaken. Mohammed
B. was een cliënt van Plasman, maar hij is ook raadsman van drugsverslaafden en verkrachters.
De taaladviseurs laten het bij de constatering, maar het is wel de moeite waard om te speculeren wat hier precies aan de hand is.


De "ongelukkige" lezing is dat het vetgedrukte voornaamwoord hij verwijst naar Mohammed B. in plaats van naar het bedoelde Plasman. Die lezing zit er inderdaad in, maar hoe komt dat?

zondag 22 maart 2009

De Taalprof plagieert




Het hoge woord moet er maar eens uit: de taalprof zit gewoon de negentiende-eeuwse taalkundige literatuur te plagiëren. Misschien heeft hij het zelf niet eens in de gaten, maar de overeenkomsten zijn te opvallend om ze aan het toeval toe te schrijven. Weliswaar is de taaltechnologie nog niet zover dat de voorbeelden ondubbelzinnig kunnen worden opgespoord, maar wie kan lezen wat die negentiende-eeuwers allemaal schreven, moeten de overeenkomsten in het oog springen.

Neem nou bijvoorbeeld dit stukje over het betrekkelijk voornaamwoord. Dat lijkt bijna letterlijk overgeschreven van een artikeltje van Lambert te Winkel in het Taalkundig Magazijn uit 1853!


vrijdag 18 mei 2007

Onthouden en afhouden



Ik hoor het net op de radio en ik moet het even opschrijven anders blijf ik daar de hele middag mee bezig. In een interview zegt iemand: Ik zou zeggen dat ik hem niet van die informatie zou willen onthouden. Daar is iets mee, nietwaar?

Op het eerste gezicht zou je zeggen: de spreekster haalde twee constructies door elkaar, iemand iets onthouden en iemand van iets afhouden. Als je dan een geroutineerde taalcriticus bent dan ken je ook het woord daarvoor. Dan roep je heel hard "Contaminatie!" en je hebt je punt weer gescoord voor vandaag.

Maar de taalprof is geen doorgewinterde criticus, die zoekt liever overal iets achter.

maandag 2 oktober 2006

Alleen voor Amsterdammers



"Taalprof, ik snap er nog steeds niks van!"
"Waarvan?"
"Van dat verschil tussen betrekkelijk en aanwijzend voornaamwoord."
"Wat snap je dan niet?"
"Nou, je vertelt dan wel dat je bij het aanwijzend voornaamwoord kunt wijzen met je vinger, en bij het betrekkelijk voornaamwoord niet, maar dat voel ik absoluut niet aan."
"O?"
"Ik kan soms bij een aanwijzend voornaamwoord ook niet zomaar wijzen."
"Hm. Da's jammer. En ik maar denken dat iedereen dat makkelijk aanvoelt."
"Nou, niet dus!"


woensdag 20 september 2006

Schimmige betrekkingen


Eindelijk! Het sluitstuk van de inmiddels beruchte serie over voornaamwoorden. Na het persoonlijke, bezittelijke en vragende  voornaamwoord (met een uitstapje of  drie naar het wederkerende en wederkerige voornaamwoord), en een uitleg over het aanwijzende en het onbepaalde voornaamwoord, geeft de taalprof nu eindelijk opening van zaken over het betrekkelijk voornaamwoord. Dat werd tijd!


"Het betrekkelijk voornaamwoord heeft betrekking op een ander woord." Zo wordt het meestal uitgelegd. Wikipedia doet het zo, learnonline, Collegehulp, en diverse andere vaklokalen voor het onderwijs van allerlei niveau's. Allemaal suggereren ze dat de term betrekkelijk voornaamwoord te maken heeft met het feit dat dit voornaamwoord betrekking heeft op een ander woord. Fout, fout, helemaal fout! Zo leer je het nooit!






donderdag 14 september 2006

Onbepaald maakt onbemind?



Wie houdt er eigenlijk van het onbepaald voornaamwoord? Persoonlijke voornaamwoorden, ja, die staan in het brandpunt van de aandacht. Hun voorop natuurlijk (Hun hebben) of u (is het u hebt of u heeft?), en niet te vergeten hij of zij. Maar ook de aanwijzende voornaamwoorden(die in die huis) mogen zich in een voortdurende aandacht verheugen. Vragende voornaamwoorden, die zijn altijd leuk, en zelfs het betrekkelijk voornaamwoord (het huis die) wordt scherp in de gaten gehouden. Maar denkt er wel eens iemand
aan het onbepaalde voornaamwoord?

vrijdag 8 september 2006

Het vinger-voornaamwoord



Was ik niet bezig met een serie over voornaamwoorden? En had ik na een logje over persoonlijke, bezittelijke en vragende voornaamwoorden niet beloofd om ook de aanwijzende, onbepaalde en betrekkelijke voornaamwoorden nog te doen? Ja, ik heb dan wel nog even uitgeweid over het wederkerende en wederkerige voornaamwoord (over het eerste zelfs een tweede keer), maar daarmee is die belofte natuurlijk niet ingelost.


Welnu! Belofte maakt schuld. Het aanwijzende voornaamwoord. Dat is wat! (of: Wat is dat?)


Eerst een moeilijk woord: deiktisch. Moet dat nou? Ja wacht even, het is leuker dan je nu denkt. Deiktisch, dat betekent letterlijk "aanwijzend", en het is afgeleid van een heel oud woord dat "vinger" betekent (net zoals het Latijnse woord "digitus"). Waarom is dat belangrijk? Omdat het aangeeft wat aanwijzen letterlijk is: je vinger op iets richten. En  dan zeggen: Kijk daar!


Als je dat snapt, dan snap je ook wat een aanwijzend voornaamwoord is. Dat is namelijk een gewoon voornaamwoord, met een benadrukt betekeniselement: het is deiktisch. Zeg je Ik zie het, dan verwijst het op een neutrale manier naar iets dat in het gesprek of in de omgeving bekend is. Zeg je echter Ik die dát, dan is het net of je met het woordje dat, net als met je vinger, iets aanwijst.


Dat, die, dit, deze, dat zijn de "echte" aanwijzende voornaamwoorden. Die en dat kunnen ook als andere woorden optreden, maar als je letterlijk met je vinger kunt wijzen op het moment dat je ze uitspreekt, dan zijn ze aanwijzend. Je kunt het gemakkelijk bij jezelf nagaan. In de zin Die voornaamwoorden, die zijn makkelijk! staat twee keer het woordje die. Op het moment dat je ze uitspreekt, kun je letterlijk je vinger gebruiken als ondersteunend gebaar (alsof je ze op papier aanwijst).


Vergelijk dat eens met de zin Die voornaamwoorden die makkelijk zijn, ken ik al. Als je die zin hardop voorleest, kun je wel nog je vinger gebruiken bij het eerste woordje die, maar absoluut niet meer bij het tweede (probeer het maar eens uit!). Dat tweede woordje die is dus niet deiktisch, het is geen aanwijzend voornaamwoord (het is een betrekkelijk voornaamwoord, maar daarover later).


Die woordjes deze, dit, die, dat, zijn dat de enige aanwijzende voornaamwoorden? Nee, dat niet. Je hebt ook nog een paar ouderwetse (gene, gindse), een paar bijzondere (diegene, degene, datgene hetgene), en je hebt zo'n en zulke. Misschien vind je die laatste twee wat gek als aanwijzende voornaamwoorden. Ze zijn misschien niet echt deiktisch, maar toch wijzen ze duidelijk naar een eigenschap die je bedoelt. Als je het hebt over zulke dingen, dan heb je het met zulke over een eigenschap die voor je gesprekspartner duidelijk moet zijn (bijvoorbeeld groot, of doorzichtig, ik zeg maar wat). Ook van die laatste heb je een paar ouderwetse varianten (zodanige, dergelijke, soortgelijke, dusdanige). En als je nou aan de andere kant heel modern wil doen, dan moet je van die, als in van die kleine kaboutertjes of van díe dingen! ook als één woord benoemen. Dat is dan ook een aanwijzend voornaamwoord

Is het dat? Ja, nou, niet helemaal. Ook het woordje zelf, en woorden eindigend op -zelfde (dezelfde, hetzelfde, diezelfde, datzelfde, ditzelfde) hebben iets aanwijzends. Als je zegt Ik heb dat zelf gedaan, dan is het woordje ik "gewoon" een persoonlijk voornaamwoord, maar met zelf wijs je nog eens nadrukkelijk naar jezelf. Daarom worden ook het losse woordje zelf, en woorden op -zelfde, benoemd als aanwijzend voornaamwoord.


Is dat moeilijk? Nou ja, die rare gevallen, die zou je moeten onthouden. Maar het belangrijkste is dat je bij de "gewone" aanwijzende voornaamwoorden die aanwijzende betekenis kunt herkennen. Als je dat kunt, ben je ver genoeg.

zaterdag 5 augustus 2006

Steeds maar wederkerend



"Taalprof?"
"Ja?"
"Ik snap het nog steeds niet"
"Wat niet?"
"Het verschil tussen wederkerend en wederkerig. Je hebt dat wel uitgelegd, met die boemerang en zo, maar ik ben geen Australiër dus ik kan me daar weinig bij voorstellen."
"Nou, ik ben blij dat je het zegt. De Taalprof heeft een onuitputtelijk arsenaal aan uitleg tot zijn beschikking. Ik kan het altijd op een andere manier zeggen."
"O gelukkig. Maar hoe zit het dan?"

vrijdag 4 augustus 2006

Je bent negen jaar



Je bent negen jaar, je hebt zomervakantie, en je wil weten wat een wederkerend voornaamwoord is. Wow! Dan moet het wel erg slecht weer zijn. Maar gelukkig is er de Taalprof, die nooit vakantie neemt zoals meester Dirk, en die altijd klaarstaat met zijn uitleg.


Een wederkerend voornaamwoord, tja, wat is dat? Het is in ieder geval een voornaamwoord, dat snap je zelf ook wel. Maar wat is een voornaamwoord? Dat is simpel gezegd: een voornaamwoord, dat is een woord waarvan je de betekenis niet in een woordenboek kunt opzoeken. Kijk maar naar het woordje ik. Wie is ik? Dat hangt er maar vanaf wie het zegt. Dat is met de naam Robbie Williams heel anders. Dat kun je gewoon in Google intikken, en dan krijg je precies te zien wie Robbie Williams is, compleet met foto's en mp3-tjes erbij. Maar als ik in Google ik intik, krijg ik heus geen plaatje van de Taalprof.

Kleine kinderen (niet meer de kinderen van 9 jaar) hebben vaak moeite met die veranderlijke betekenis van voornaamwoorden. Dan zeg je Morgen ben jij jarig, en dan bevestigen ze dat door je zeggen Ja, morgen ben jij jarig. Ze denken dan dat jij een vaste betekenis heeft. Later pas leren ze dat voornaamwoorden juist geen vaste betekenissen hebben.


Voornaamwoorden verwijzen. Naar degene die iets zegt, naar iemand anders in de kamer, naar andere woorden in de zin. Meestal voel je zelf meteen aan hoe die verwijzing zit. Het komt maar heel zelden voor dat je aan iemand moet vragen Zij is aardig? Wie bedoel je met zij?


Wederkerende voornaamwoorden zijn een speciale soort voornaamwoorden. Ze verwijzen, net als andere voornaamwoorden, maar ze verwijzen altijd naar iets wat in dezelfde zin genoemd wordt. Meestal is het wederkerend voornaamwoord zich, of zichzelf, maar als het verwijst naar ik wordt het me(zelf), en als het verwijst naar je wordt het je(zelf), enzovoorts.


Je kunt het zelf goed aanvoelen in een zinnetje als De Taalprof vergist zich nooit. Het woordje zich is hier wederkerend voornaamwoord. De verwijzing "keert" als het ware "weer" naar iets wat al genoemd is (in dit geval De Taalprof). Maar als je De Taalprof vervangt door ik, krijg je ik vergis me nooit. Zo zeg je ook Wij vergissen ons nooit, jullie vergissen je nooit, enzovoorts.


Gelukkig hoef je dit allemaal niet te leren. Dat weet jij vanzelf al, als negenjarige! Het enige wat je moet leren (van meester Dirk, waarschijnlijk) is het herkennen van het wederkerend voornaamwoord, niet hoe je het moet gebruiken.


Zo. En nu weer verder met vakantievieren. Buiten spelen?

donderdag 20 juli 2006

Wat nu weer?




En nou weer even serieus. Geen tijd om tevreden achterover te leunen. Had ik niet al eens gezegd dat het voornaamwoord een bijzondere woordsoort was? Wel, daar hoef ik geen woord van terug te nemen. Ik wijd er ondertussen al een hele serie aan. Eerder had ik het over het persoonlijk voornaamwoord, het bezittelijk voornaamwoord, en zelfs over het wederkerend en het wederkerig voornaamwoord. En nu is het vragend voornaamwoord aan de beurt. Het vragend wat?


Het vragend voornaamwoord. Makkelijker kunnen we het niet maken, zou je zeggen. Maar schijn bedriegt. Want "vragend", wat is dat eigenlijk voor een wonderlijke eigenschap? Alleen voornaamwoorden en bijwoorden kun je vragend maken. Probeer het woord rood maar eens vragend te maken, of rugzak. Dat kan helemaal niet! Ja, je kunt die woorden wel vragend uitspreken, maar het blijven dezelfde woorden. Maar van iemand of die maak je wie, van iets of dat maak je wat, en van die of deze maak je welke. En van zulke maak je wat voor (dit is één woord, ook wel uitgesproken als "waffer"). Vragende voornaamwoorden zijn vragende varianten van gewone voornaamwoorden (in dit geval onbepaalde of aanwijzende voornaamwoorden).

Het vragend maken van een woord, in de zin van echt een andere vorm ervan maken, dat kan verder alleen maar bij bijwoorden. Van zo maak je hoe, van hier of daar maak je waar, van dan of ooit maak je wanneer, enzovoorts. Over al die bijwoorden zijn ook hele verhalen te vertellen (sommige hebben zelfs iets voornaamwoordachtigs), maar daarover een andere keer. Hier verbaas ik me alleen even over het feit dat dat allemaal zomaar kan.


Is dat moeilijk, een vragend voornaamwoord herkennen? Meestal niet. Ze beginnen allemaal met een w (dat is nog eens een ezelsbruggetje!), ze staan meestal vooraan een zin die op een vraagteken eindigt, en het antwoord op de vraag kan (vrijwel) dezelfde zin zijn, maar dan met de niet-vragende variant in plaats van het vragende voornaamwoord. Wie heeft dat gedaan? Die heeft dat gedaan! Welke CD heb je gekocht? Deze CD heb ik gekocht! Wat voor kleren doe je aan? Zulke kleren doe ik aan!


Waarom zei ik nou "Meestal niet"? Omdat het vragend voornaamwoord ook in een zogeheten "afhankelijke vraag" kan staan. Bijvoorbeeld: Ik weet niet wat voor kleren ik aan moet. Hier is geen sprake van een directe vraag (er staat geen vraagteken achter), de vraag zit als het ware "opgesloten" in een andere zin. Eigenlijk staat er Ik weet het antwoord niet op de vraag: "Wat voor kleren doe je aan?".


Het herkennen van afhankelijke vragen is best lastig. Kijk maar eens naar het verschil tussen Wie dat gedaan heeft wil ik niet kennen en Wie dat gedaan heeft wil ik niet weten. Lijkt erg op elkaar, niet? Toch is alleen de tweede een afhankelijke vraag. Er staat: Ik weet het antwoord niet op de vraag: "Wie heeft dat gedaan?". In de eerste zin staat: Iemand heeft dat gedaan, en die persoon wil ik niet kennen.


Is het nu zo belangrijk dat je dat onderscheid kunt aanwijzen? Er is toch in beide gevallen sprake van het woordje wie? Wat maakt het nou uit of je het een vragend noemt en het ander niet? Hm. Daar zit wat in, maar toch voelt iedereen dat verschil wel blijkbaar onbewust aan. Probeer je bij die twee zinnen een bepaling als het onbeklemtoonde toch te zetten, dan voelt iedereen aan dat dat wel kan bij die tweede zin, maar niet bij de eerste. De zin Wie dat toch gedaan heeft wil ik niet weten klinkt prima, maar Wie dat toch gedaan heeft wil ik niet kennen. De laatste zin kun je alleen lezen met een klemtoon op toch, en dan betekent het "desondanks" of zo.


Dat woordje toch (als in Wat heb je toch?) kan blijkbaar alleen bij vraagwoorden gebruikt worden. Waarom? Geen idee. Maar het is wel een wonderlijk feit in ieders taalgevoel. En je kunt het alleen maar beschrijven door gebruik te maken van de term vragend voornaamwoord.